ECLI:NL:PHR:2000:AA8310
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek van kwijtgescholden rente en redelijke wetstoepassing in inkomstenbelasting
De belanghebbende, aandeelhouder van een BV, had een lening met een rente van ƒ 68.840 die niet werd betaald en in 1995 werd kwijtgescholden door de vennootschap. De vennootschap nam deze rentevordering als winst, waarna dividendbelasting werd betaald. De belanghebbende gaf het kwijtgescholden bedrag aan als dividend, maar trok het tegelijkertijd af als rente, wat door de Inspecteur werd geweigerd.
Het Hof Arnhem oordeelde dat renteaftrek mogelijk was op grond van redelijke wetstoepassing, waarbij een zogenaamd 'kasrondje' werd aangenomen. De Staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat het kasrondje niet aannemelijk was en dat de redelijke wetstoepassing niet tot aftrek in de inkomstenbelasting mocht leiden.
De Hoge Raad stelt dat de kwijtschelding een terbeschikkingstelling is van een inkomst in natura, maar dat art. 38 Wet Pro IB geen aftrek van niet-betaalde rente toestaat. De redelijke wetstoepassing moet leiden tot correctie in de vennootschapsbelasting en niet in de inkomstenbelasting, om dubbele heffing te voorkomen. Het beroep wordt verworpen omdat weigering van aftrek strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, gezien vergelijkbare situaties bij werknemersleningen.
De uitspraak benadrukt het belang van het kasstelsel in de inkomstenbelasting, de samenhang tussen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, en het gelijkheidsbeginsel bij fiscale behandeling van renteloze of laagrentende leningen tussen aandeelhouder en vennootschap.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; aftrek van de kwijtgescholden rente in de inkomstenbelasting is niet toegestaan, maar correctie vindt plaats in de vennootschapsbelasting.