ECLI:NL:PHR:2000:AA8404

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01180/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 51a SvArt. 51b SvArt. 361 SvArt. 425 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbetering vonnis inzake vergoeding proceskosten rechtsbijstand na verkeersovertreding

De verdachte werd door de rechtbank Haarlem veroordeeld voor een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en kreeg een geldboete opgelegd. Daarnaast werd een schadevergoeding van €1315,63 aan de benadeelde partij toegewezen, waarbij kosten rechtsbijstand waren inbegrepen.

De benadeelde partij verzocht later om een aanvullende vergoeding van €3500 smartengeld, maar dit verzoek werd niet ontvankelijk verklaard omdat dit niet tijdig was aangevoerd volgens art. 51b Sv. De Hoge Raad richtte zich vervolgens op de juiste toewijzing van de kosten rechtsbijstand.

De Hoge Raad stelde vast dat kosten rechtsbijstand niet als directe schadepost kunnen worden beschouwd, maar wel als proceskosten die apart moeten worden toegewezen volgens art. 592a Sv. De rechtbank had deze kosten ten onrechte op nihil gesteld. De Hoge Raad verbeterde daarom het vonnis door de kosten rechtsbijstand af te splitsen van de schadevergoeding en afzonderlijk toe te wijzen, zonder dat dit het totaalbedrag wijzigde.

Uitkomst: De verdachte wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten rechtsbijstand als proceskosten, afzonderlijk van de schadevergoeding.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 01180/99
Zitting 3 oktober 2000
Conclusie inzake:
[Verzoekster=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoekster is door de rechtbank te Haarlem bij vonnis van 29 januari 1999 ter zake van Aovertreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994@ veroordeeld tot een geldboete van / 125,- subsidiair twee dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van / 1315,63 toegewezen en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
2. Door of namens verzoekster zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Van de benadeelde partij is op 18 april 2000 een geschrift ter griffie van de Hoge Raad ingekomen waarin om toekenning van i 3500 smartengeld wordt verzocht. Dit geschrift bevat geen middelen over een rechtspunt betreffende de vordering van de benadeelde partij, zodat Uw Raad daarop geen acht kan slaan. Voorts wijs ik erop dat nu de benadeelde partij op het voegingsformulier ex art. 51b, eerste lid, Sv niet om vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, dit in een later stadium niet alsnog kan worden gevorderd. Ik kom hier straks nog op terug.
4. Ambtshalve wil ik de aandacht vragen voor de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij. Die beslissing luidt als volgt:
1. Naar het oordeel van de appèlrechter zijn de volgende schadeposten eenvoudig vast te stellen en, nu deze het gevolg zijn van het aan verdachte verweten strafbaar feit, voor toewijzing vatbaar:
schade fiets / 159,-
taxikosten / 42,50
huur televisie / 130,-
kosten kruiswerk / 85,50
kosten rechtsbijstand / 398,63
vergoeding immateriële schade/ 500,-
Totaal / 1315,63.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.@
De rechtbank heeft de kosten van tenuitvoerlegging begroot op nihil.
5. Over de vraag of de beslissing tot toewijzing van verschillende posten juist is geweest, kan men van mening verschillen, maar zo=n verschil in opvatting is blijkens de pleitnota in hoger beroep niet aan de feitenrechter voorgelegd. Het komt mij voor dat het de taak van de Hoge Raad te buiten zou gaan om het op ondergeschikte punten, die bovendien van feitelijke aard zijn, beter te willen weten.
6. Anders ligt het met de toewijzing van de post kosten rechtsbijstand. Kosten die de benadeelde partij in verband met rechtsbijstand heeft gemaakt zijn niet aan te merken als schade die het rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801 en HR 18 april 2000, NJ 2000, 413).
7. De kosten voor rechtsbijstand komen wel voor vergoeding in aanmerking, aangezien zij behoren tot de in art. 592a Sv bedoelde proceskosten waaromtrent de strafrechter een afzonderlijke beslissing dient te nemen, die vervolgens op grond van het ingevolge art. 425 Sv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijnde art. 361, vijfde lid, Sv in het vonnis dient te worden opgenomen.
1. 8. Nu de rechtbank van oordeel is dat de kosten voor rechtsbijstand wel voor vergoeding in aanmerking komen, had zij in plaats van de kosten die de benadeelde partij had gemaakt op nihil te stellen, verzoekster dienen te veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten / 398,63 ter zake van rechtsbijstand, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Uw Raad kan alsnog doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801 en HR 18 april 2000, NJ 2000, 413). In geldelijk opzicht verandert de uitpraak er niet door.
9. De conclusie strekt derhalve tot verbetering van het dictum in dier voege dat van het toegewezen bedrag het bedrag voor kosten rechtsbijstand wordt afgesplitst, waarna de vergoeding van deze kosten afzonderlijk wordt toegewezen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG