ECLI:NL:PHR:2000:AA8451
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verzoeker in cassatie zonder advocaat bij Hoge Raad
Verzoeker heeft bij de rechtbank vorderingen ingesteld wegens onrechtmatige daad en wanprestatie, welke zijn afgewezen wegens verjaring. Het gerechtshof heeft dit oordeel bevestigd. Vervolgens heeft verzoeker een ervaren cassatieadvocaat geraadpleegd die afzag van cassatieberoep vanwege geringe kans van slagen.
Verzoeker heeft daarop bij de Hoge Raad een verzoek ingediend om zelf cassatieberoep te mogen instellen, zonder advocaat. De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen grondslag biedt voor een dergelijk verzoek en dat artikel 426a Rv vereist dat een advocaat het verzoek ondertekent.
De conclusie benadrukt dat de verplichte vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad een selectiefunctie vervult en dat het ontbreken daarvan, ook bij kansloosheid van cassatie, geen uitzondering rechtvaardigt. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van verplichte advocaatvertegenwoordiging bij de Hoge Raad.