ECLI:NL:PHR:2000:AA8462

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00864/99
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 7 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij schade was toegebracht. Tegen deze uitspraak stelde de verdachte cassatieberoep in op 16 juli 1998. De Hoge Raad constateerde dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ruim twaalf maanden waren verstreken, wat een ernstige overschrijding van de redelijke termijn volgens art. 6 EVRM Pro betekent.

De verdediging klaagde over deze overschrijding, en de Hoge Raad bevestigde dat dit terecht was. Hoewel de redelijke termijn was overschreden, waren er geen bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigden. De Hoge Raad overwoog dat overschrijding van de redelijke termijn in principe tot strafvermindering leidt, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval was.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de gemeenschap bij normhandhaving prevaleert boven het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging. Daarom werd besloten de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis met 10% te verminderen. De rest van het cassatieberoep werd verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand, behoudens de strafvermindering.

Uitkomst: De geldboete en vervangende hechtenis werden met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 00864/99
Zitting 3 oktober 2000
mr N. Keijzer
Conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij uitspraak van 14 juli 1998 heeft het Gerechtshof te Arnhem de verdachte, ter zake van overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een geldboete van f 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis. Bewezenverklaard is, kort gezegd, dat de verdachte op 13 juli 1996, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval, de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander schade was toegebracht.
2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken die bij Uw Raad bekend zijn onder de griffienummers 00868/99 en 00862/99 P, waarin ik heden eveneens conclusie neem.
3. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt over schending van art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro, op de grond dat reeds het tijdsverloop tussen het instellen van het beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad - ruim twaalf maanden - zodanig lang is dat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
5. Blijkens de cassatieakte is het cassatieberoep op 16 juli 1998 ingesteld. Uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat de stukken op 27 juli 1999 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. Derhalve zijn tussen de datum waarop het beroep in cassatie is ingesteld en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad ruim twaalf maanden verstreken. Naar Uw Raad heeft geoordeeld in HR 26 januari 1999, NJ 1999, 326 is “op dit moment” uitgangspunt dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de aankomst van de stukken bij de Hoge Raad niet meer dan acht maanden mogen verstrijken en zal, indien wordt geklaagd over overschrijding van die termijn, in het algemeen het oordeel volgen dat de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM Pro is overschreden.
Voorts heeft de eerste behandeling van de zaak door de Hoge Raad plaatsgehad op 27 juni 2000, waardoor de behandeling door de Hoge Raad ruim 23 maanden na het instellen van het cassatieberoep heeft plaatsgevonden. Er blijkt niet van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.
Al met al is hier sprake van een ernstige overschrijding van wat als een redelijke termijn van berechting kan worden aangemerkt. Voorzover het middel erover klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is geschonden, is het dus terecht voorgesteld.
6. De vraag die zich nu opwerpt is welk gevolg hieraan moet worden verbonden.
7. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, behoudens bijzondere gevallen, tot strafvermindering te leiden.1 In casu doen zich mijns inziens geen gronden voor die nopen tot het oordeel dat zich een bijzonder geval als evenbedoeld voordoet en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden dient daarom in deze zaak het eerstgenoemde belang te prevaleren.
8. Uw Raad zal de opgelegde straf zelf kunnen verminderen. In het licht van HR 18 januari 2000, NJ 2000, 569 m.nt. JdH - in dat geval waren tussen het instellen van het cassatieberoep en de dag waarop de zaak ter terechtzitting diende ruim 21 maanden verstreken - komt me passend voor dat de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis met 10% zullen worden verminderd.
9. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. Het middel gegrond achtende concludeer dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor wat betreft het bedrag van de opgelegde geldboete alsmede de duur van de vervangende hechtenis, dit bedrag en deze duur met 10% zal verminderen, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
Voor de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal
1 HR 16 december 1997, NJ 1998, 811 m.nt. Kn (in NJ 1998, 812); HR 23 februari 1999, NJ 1999, 345; HR 11 januari 2000, NJ 2000, 227.