ECLI:NL:PHR:2000:AA8551

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00825/99 J
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Wet ROArt. 488 SvArt. 107 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsmiddelenregeling en samenhang van feiten bij minderjarige bestuurder met valse kentekenplaat

De zaak betreft een minderjarige die op 29 september 1997 meerdere verkeersovertredingen pleegde, waaronder het rijden met een valse kentekenplaat, zonder rijbewijs en zonder geldige WAM-verzekering. De kinderrechter sprak hem vrij van enkele tenlasteleggingen en veroordeelde hem voor het rijden zonder rijbewijs tot een geldboete en subsidiair jeugddetentie.

De kernvraag betrof de toepassing van artikel 56 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (oud), dat regelt welke rechtbanken bevoegd zijn en welke rechtsmiddelen van toepassing zijn bij minderjarigen. De Hoge Raad bevestigt dat de feiten als een samenhangend feitencomplex moeten worden beschouwd, waardoor concentratie van rechtsmacht bij de gespecialiseerde kinderrechter wordt beoogd.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat het ingediende beroep in cassatie feitelijk moet worden opgevat als hoger beroep, en beveelt de doorzending van de stukken aan het gerechtshof Arnhem om de zaak in hoger beroep te behandelen en af te doen. Hiermee wordt de rechtsmiddelenregeling voor minderjarigen strikt toegepast en wordt de mogelijkheid tot hoger beroep gewaarborgd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verstaan als hoger beroep en de zaak wordt doorgezonden aan het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.

Conclusie

Nr. 00825/99
Mr Machielse
Zitting: 3 oktober 2000
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van 2 oktober 1998 is verzoeker door de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te Zwolle vrijgesproken van het onder 1. en 3. tenlastegelegde en veroordeeld ter zake van 2. "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" tot een geldboete van ƒ 100,-, subsidiair 2 dagen jeugddetentie.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het feit dat op verzoeker het jeugdstrafrecht en de daarmee sporende rechtsmiddelenregeling ingevolge art. 56 RO Pro van toepassing is. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd onder 1. - kort gezegd - dat hij op 29 september 1997 te [woonplaats] als bestuurder van een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [aa-00-bb], op de [straat], heeft gereden met een valse kentekenplaat. Onder 2. is aan verzoeker tenlastegelegd en bewezenverklaard - in essentie samengevat - dat hij op 29 september 1997 te [woonplaats] als bestuurder heeft gereden zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding tot slot tenlastegelegd onder 3. - kort gezegd - dat hij op 29 september 1997 te [woonplaats] als bestuurder van een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [aa-00-bb], heeft gereden zonder geldige WAM-verzekering. Uit de zich bij de stukken bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat deze drie feiten tegelijkertijd, dus op dezelfde plaats en tijd, en met betrekking tot hetzelfde motorvoertuig, zijn geconstateerd door de desbetreffende verbalisanten.
4. In art. 56, eerste lid (oud), Wet RO is in het eerste lid onder a. bepaald dat de rechtbanken in eerste aanleg vonnissen over alle misdrijven, waarvan de kennisneming niet aan een nadere rechter is opgedragen. Art. 56, derde lid, (oud) Wet RO houdt in dat de rechtbanken in eerste aanleg vonnissen over overtredingen, begaan door personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, "indien het feit samenhangt met een misdrijf of overtreding waarvoor de minderjarigen, ingevolge het eerste lid, voor de rechtbank worden vervolgd. In art. 56, vijfde lid (oud) RO is nog neergelegd dat de in het eerste en het derde lid bedoelde vonnissen aan hoger beroep zijn onderworpen, "met uitzondering van die, welke ter zake van overtredingen zijn gewezen ten aanzien van een persoon, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen de leeftijd van achttien jaren had bereikt".
Ik wijs er overigens op dat op grond van het huidige art. 488 Sv Pro het evengenoemde criterium is verschoven. Nu luidt dit of de verdachte ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Art. 56 Wet Pro RO is tot op heden nog niet hieraan aangepast.(1) In casu is dit onderscheid evenwel niet relevant, nu verzoeker - geboren op 13 december 1980 - op beide momenten nog jonger dan achttien was; de inleidende dagvaarding is aan hem op 11 september 1998 in persoon uitgereikt.
5. De vraag, of te dezen met de bewezenverklaarde overtreding onder 2. sprake is van een feit dat "samenhangt" met het misdrijf onder 1. waarvoor de minderjarige, ingevolge het eerste lid, voor de rechtbank is vervolgd, beantwoord ik bevestigend. Het gaat hier immers (over)duidelijk om één feitencomplex. Voor een meer rechtskundige benadering van het begrip "samenhangen" in evenbedoelde context bestaan geen aanwijsbare gronden. Het gaat er hierbij veeleer om, om een concentratie van rechtsmacht te bewerkstelligen bij een - gespecialiseerde - kinderrechter(2). Ik ben het dan ook eens met Verpalen die stelt dat "van alle veroordelende vonnissen van de kinderrechter en de meervoudige kamer" de "jeugdige in hoger beroep kan komen bij het gerechtshof (art. 56, vijfde lid, RO)".(3) Ook de Hullu wijst mijns inziens hierop, terwijl hij de ratio hiervan ontleent aan de rechtsgeschiedenis. Ik citeer: "Waar de geheele toekomst van het kind op het spel kan staan, zou het te ver gaan, zich met eene enkele instantie tevreden te stellen".(4) Met "eene enkele instantie" wordt vanzelfsprekend bedoeld één enkele feitelijke instantie.
6. In casu is blijkens de akte rechtsmiddel "beroep" ingesteld tegen het hiervoor onder 1 vermelde vonnis. Nu dit voor tweeërlei uitleg vatbaar is, en niet als beroep in cassatie maar hoger beroep moet worden verstaan, geef ik Uw Raad in overweging de zaak zekerheidshalve te converteren in hoger beroep.(5)
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep in cassatie zal verstaan als hoger beroep, en de stukken, ter verdere afdoening van de zaak, zal doen toezenden aan de griffier van het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 T&C, 3e, aant. 4 op art. 56 Wet Pro RO.
2 Zie de noot van Enschede bij HR NJ 1970, 102. Zie voorts J.A. de Jong, Kantonrechter of kinderrechter?, NJB (30) 1955, p. 994-998.
3 Melai, aant. 3 op art. 501.
4 De Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, diss. p. 396, en noot 27.
5 Ik wijs er hiervoor tevens op dat in casu de zaak, namens de advocaat-generaal, door een juridisch medewerker is "verstaan als beroep in cassatie".