ECLI:NL:PHR:2000:AA8609
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over aftrek latente buitenlandse inkomstenbelastingschulden bij stamrechten in successierecht
De zaak betreft het beroep in cassatie van een belanghebbende tegen het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch inzake de toepassing van artikel 20, lid 5 van de Successiewet 1956 op stamrechten verkregen na het overlijden van haar echtgenoot in 1991. De belanghebbende had stamrechten verkregen die in Nederland successierechtelijk werden belast, terwijl zij in België woonde en daar inkomstenbelasting over de stamrechtuitkeringen verschuldigd zou zijn.
Het centrale geschilpunt was of de Successiewet aftrek toestaat van latente buitenlandse inkomstenbelastingschulden bij stamrechten, naast de reeds bestaande regeling voor Nederlandse inkomstenbelasting. Het Hof had dit ontkennend beantwoord en de aftrek beperkt tot Nederlandse inkomstenbelasting.
De Hoge Raad oordeelt dat de tekst, strekking en wetsgeschiedenis van artikel 20, lid 5 Successiewet geen reden geven om buitenlandse inkomstenbelastingschulden uit te sluiten van aftrek. De regeling is bedoeld om cumulatie van successierecht en inkomstenbelasting te voorkomen, ongeacht of die inkomstenbelasting in Nederland of het buitenland wordt geheven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, onder meer omdat het Hof een geschilpunt over het vertrouwensbeginsel niet had behandeld. Dit arrest benadrukt de ruime uitleg van het begrip 'inkomstenbelasting' in de Successiewet ten aanzien van stamrechten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling over de aftrek van latente buitenlandse inkomstenbelastingschulden bij stamrechten.