ECLI:NL:PHR:2000:AA8610
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en uniformiteit van WOZ-waardebepaling bij woning in gemeente Maassluis
Het geschil betreft de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning in Maassluis per 1 januari 1995. Het College van burgemeester en wethouders stelde de waarde vast op ƒ 202.000, terwijl belanghebbende aanvoerde dat de waarde niet hoger kon zijn dan de verkoopprijs van ƒ 182.500 op 1 augustus 1995. Het Hof vernietigde de beschikking van het College en stelde de waarde vast op de lagere verkoopprijs.
De zaak draait om de interpretatie van de Wet WOZ, in het bijzonder de waardebepalingsregels in artikel 17 en Pro 20, en de uitvoeringsbesluiten en instructies die uniformiteit in waardebepaling moeten waarborgen. De Hoge Raad bespreekt de wettelijke kaders, de beleidsruimte van gemeenten, en de rol van de Waarderingskamer.
Er is een discussie over de toegepaste taxatiemethoden, waarbij het Hof oordeelde dat de door het College gehanteerde methoden niet bindend zijn en dat belanghebbende vrij is andere bewijzen aan te voeren. De Hoge Raad benadrukt dat de methoden in de uitvoeringsregeling instructienormen zijn voor het College, maar dat belanghebbende en het Hof niet daaraan gebonden zijn.
Verder wordt aandacht besteed aan de vraag of de verkoopprijs daadwerkelijk de waarde in het economische verkeer weerspiegelt, mede gelet op mogelijke afwijkingen zoals de afsplitsing van roerende zaken in de koopprijs. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof zijn motivering omtrent het niet hoger stellen van de waarde dan de verkoopprijs onvoldoende heeft onderbouwd en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.
De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige en uniforme waardebepaling, waarbij de wettelijke kaders en instructies richtinggevend zijn, maar ruimte bestaat voor afwijkingen indien dat met goede gronden wordt onderbouwd.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nadere motivering en beoordeling van de waardebepaling.