ECLI:NL:PHR:2000:AA8723

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/0072HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding cassatietermijn ondanks gewekte verwachtingen

In deze zaak heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het hof, waarbij hij zich beroept op het beginsel van behoorlijk bestuur en gewekte verwachtingen dat het hof op een bepaalde datum uitspraak zou doen.

De Hoge Raad overweegt dat de mededeling van een gerecht over een geplande uitspraakdatum een zuivere aankondiging is en geen toezegging die rechten kan scheppen. Bovendien is het bekend dat uitspraken soms eerder of later kunnen plaatsvinden dan aangekondigd, waardoor geen rechtens te honoreren vertrouwen ontstaat.

Zelfs als men zou aannemen dat vertrouwen is gewekt, doorbreekt dit niet de wettelijke cassatietermijn. De wederpartij mag erop vertrouwen dat na het verstrijken van die termijn geen beroep meer kan worden ingesteld, en dat het arrest daardoor kracht van gewijsde krijgt.

Eiser had bovendien nog tijd om tijdig cassatie in te stellen, zoals blijkt uit brieven aan zijn advocaat. Gezien deze omstandigheden verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

Nr. C 00/072 HR
Mr. Mok
Zitting 1 september 2000
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder 1] e.a. (niet verschenen)
Edelhoogachtbaar college,
1. Voor alle gegevens verwijs ik naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2000 in deze zaak en naar de daaraan voorafgaande conclusie van de a.-g. Spier.
In dat arrest heeft de Hoge Raad tegen [verweerder 1] c.s. verstek verleend, geconstateerd dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating bij akte door [eiser], eiser van cassatie.
2. Ter zitting van 11 augustus 2000 heeft de advocaat van [eiser] een schriftelijke toelichting gegeven en daarbij een akte genomen, onder overlegging van enige producties.
3. De akte bevat in wezen geen andere argumenten dan het al eerder bekende dat het hof aanvankelijk had aangekondigd in dit kort geding op 12 januari 2000 arrest te zullen wijzen en vervolgens zijn uitspraak heeft vervroegd tot 22 december 1999.
[Eiser] doet een beroep op het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat opgewekte verwachtingen (i.c. dat het hof op 12 januari 2000 uitspraak zou doen) gehonoreerd behoren te worden.
4. De mededeling van een gerecht dat het in een zaak op een bepaalde datum uitspraak zal doen is een zuivere aankondiging en geen informatie omtrent de wijze van uitoefening van een bestuursbevoegdheid, laat staan een toezegging1. Daar komt bij dat het, althans bij advocaten S [eiser] was in appel uiteraard van bijstand door een advocaat voorzien S, bekend is dat rechterlijke uitspraken soms later en soms vroeger dan oorspronkelijk was aangekondigd, kunnen worden gedaan.
Een dergelijke mededeling wekt derhalve geen in rechte te honoreren vertrouwen.
5. Neemt men aan dat wel zodanig vertrouwen is gewekt, dan doorbreekt zulks nog geen wettelijke beroepstermijn. Toepassing van het vertrouwensbeginsel S zeker contra legem S veronderstelt belangenafweging2. De wederpartij, die op de hoogte is van het door het hof gewezen arrest, mag erop vertrouwen dat, indien na afloop van de wettelijke cassatietermijn geen beroep in cassatie is ingesteld, dit niet meer geschieden kan en dat het arrest van het hof dus kracht van gewijsde heeft gekregen. Collega Spier heeft dan ook in zijn genoemde conclusie op de mogelijkheid gewezen dat de (niet verschenen) verweerders in cassatie, [verweerder 1] c.s., om die reden verstek hebben laten gaan.
Er is geen grond de honorering van het vertrouwen van eiser, in strijd met de wet, te laten prevaleren boven dat van verweerders.
6. Ten overvloede wijs ik er op dat zich bij de stukken een brieven van [eiser] d.d. 10 en 19 januari 2000, gericht aan zijn advocaat in appel, bevinden, waarin [eiser] aankondigt tegen het arrest van het hof cassatie te willen instellen. De cassatietermijn liep toen nog drieënhalve week, resp. twee weken.
7. Gezien het voorgaande concludeer ik dat [eiser], wegens overschrijding van de cassatietermijn, in zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
. Vgl. P. Nicolaï, beginselen van behoorlijk bestuur, diss. U.vA.. 1990, p. 365; Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male,
Hoofdstukken van bestuursrecht, 1999, p.360 en p. 36-365.
2. Nicolaï, a.w., p. 368-369 enp. 526 e.v.; Van Wijk/Konijnenbelt,/Van Male a.w.p. 366 e.v.