ECLI:NL:PHR:2000:AA8829

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00682/00
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 WegenverkeerswetArt. 70 SrArt. 72 SrArt. 402 SvArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring vervolgingsrecht en onontvankelijkheid bij hoger beroep en cassatie

Verzoeker is op 14 januari 1994 bij verstek veroordeeld voor een misdrijf en een overtreding. Tegen het vonnis van 28 april 1995, waarbij verzoeker wederom werd veroordeeld, tekende hij op 14 oktober 1997 hoger beroep aan, dat echter niet als cassatie werd ingesteld. De stukken werden naar de Hoge Raad gezonden, maar het verzoek om hoger beroep was niet het juiste rechtsmiddel voor het misdrijf.

De Hoge Raad stelt vast dat het hoger beroep voor het misdrijf moet worden doorgezonden naar het gerechtshof te Arnhem, omdat beroep in cassatie niet openstaat voor dat feit. Voor de overtreding is het hoger beroep omgezet in cassatie. De Raad concludeert dat het vervolgingsrecht voor de overtreding inmiddels is verjaard, omdat tussen de betekening van het vonnis en de aanzegging van de rechtsdag in cassatie meer dan twee jaar zijn verstreken.

De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de overtreding. Het arrest benadrukt het belang van correcte rechtsmiddelen en de werking van verjaring in strafprocedures, waarbij het instellen van hoger beroep niet automatisch een stuitingsdaad is als de termijn al is verstreken.

Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de overtreding wegens verjaring.

Conclusie

Nr. 00682/00 Mr Machielse
Zitting: 3 oktober 2000
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij mondeling vonnis van de politierechter van 28 april 1995 in de arrondissementsrechtbank te Zwolle is verzoeker veroordeeld ter zake van 1. "handelen in strijd met artikel 32, eerste lid, van de Wegenverkeerswet" en 2. "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede over een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden". Aan verzoeker is daarbij een geldboete opgelegd van ƒ 500,- , subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende, waarvoor een korte uiteenzetting van de gevolgde procedure van belang is. Verzoeker is op 14 januari 1994 door de politierechter bij verstek veroordeeld voor het hiervoor onder 1 genoemde misdrijf (feit 1) en de hiervoor onder 1 genoemde overtreding (feit 2). Op 18 oktober 1994 heeft verzoeker daartegen tijdig het rechtsmiddel van verzet aangetekend "met betrekking tot het kantongerechtsfeit 2 gewezen door de politierechter in deze rechtbank in samenhang met het rechtbankfeit 1". Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 28 april 1995 is verzoeker aldaar wederom niet verschenen, en heeft de politierechter toen tevens mondeling vonnis gewezen met onder meer de hiervoor vermelde inhoud.(1) Op 14 oktober 1997 heeft verzoeker "hoger beroep" aangetekend tegen dat vonnis, waarna de stukken - klaarblijkelijk - aan de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.
4. Allereerst gaat mijn aandacht uit naar de vraag of het door verzoeker ingediende rechtsmiddel van "hoger beroep" het juiste is. Weliswaar zijn de stukken naar de griffie van de Hoge Raad gezonden, maar dit maakt nog niet dat daarmee ook het rechtsmiddel van cassatie is ingesteld door verzoeker.
Voor wat betreft feit 1. - het misdrijf - staat beroep in cassatie gelet op de hoofdregel van art. 404 Sv Pro niet open. Nu al hoger beroep is ingesteld, komt het mij voor dat Uw Raad de stukken naar de griffier van het gerechtshof te Arnhem kunt doen toekomen.(2)
Voor wat betreft feit 2. - de overtreding - is een conversie op haar plaats, van het door verzoeker ingestelde hoger beroep, in beroep in cassatie.(3)
5. Ik kan derhalve nu toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van feit 2. Te dien aanzien concludeer ik ambtshalve dat het vervolgingsrecht voor dit feit inmiddels verjaard is. Uit de stukken van het dossier kan vooropgesteld al niet volgen dat tussen het door verzoeker ingestelde hoger beroep op 14 oktober 1997 - hetgeen op zichzelf beschouwd nog geen stuitingsdaad betekent(4) - en de betekening van de aanzegging rechtsdag in cassatie op 18 april 2000 van enige daad van vervolging kan worden gesproken. Voor de vraag wanneer de verjaring in casu precies al heeft plaatsgevonden moeten we evenwel nog verder terug in de tijd. Door het instellen van hoger beroep van verzoeker op 14 oktober 1997 zou - in beginsel - het vonnis van de politierechter van 28 april 1995 als een stuitingsdaad kunnen worden beschouwd(5), maar nu tussen die twee juridische momenten al meer dan twee jaren zijn verstreken kan het vonnis in casu niet (meer) met terugwerkende kracht als een stuitingsdaad gelden. De mededeling uitspraak van 28 april 1995 is aan verzoeker op 20 september 1995 (niet in persoon) betekend. In deze zaak moet dit als de laatste stuitingsdaad worden beschouwd.(6) Het onder 2. bedoelde feit is dus op 20 september 1997 verjaard; al vóórdat verzoeker het laatste rechtsmiddel heeft aangewend.(7) De conclusie luidt derhalve, dat nu tussen de mededeling uitspraak en de aanzegging rechtsdag in cassatie meer dan twee jaar zijn verlopen, het feit onder 2. op de voet van art. 70 Sr Pro en mede met het oog op art. 72 Sr Pro verjaard is.
6. Deze conclusie strekt ertoe, dat Uw Raad de stukken van het geding, voorzover betrekking hebbend op feit 1, doet toekomen aan de griffier van het gerechtshof te Arnhem. Deze conclusie luidt tevens, ten aanzien van feit 2, dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Met het oog op de regel dat niet ten nadele van verdachten wordt gecasseerd zal ik hier niet verder op ingaan.
2 De vraag is wel wat het hof met de zaak aan moet. Er is een veroordeling voor het misdrijf uitgesproken op 14 januari 1994 en ook nog eens op 25 april 1995. Het verzet tegen de veroordeling van 14 januari 1994 beperkte zich tot de overtreding. De oproeping voor de behandeling van het verzet doet het voorkomen alsof verzet tegen het gehele vonnis is ingesteld. De politierechter had op 25 april 1995 het verzet beperkt dienen te verstaan en het verzet, gericht tegen de verstekver-oordeling voor de overtreding, op de voet van art. 402 Sv Pro vervallen moeten verklaren. Nu er uitdrukkelijk tegen de veroordeling voor het misdrijf van 14 januari 1994 geen rechtsmiddel is ingesteld was die veroordeling inmiddels onherroepelijk geworden en was de officier van justitie niet bevoegd het misdrijf (nogmaals) in de verzetprocedure te vervolgen. Het hof zou dus de veroordeling in verzet voor het misdrijf kunnen vernietigen en de officier alsnog niet ontvankelijk kunen verklaren in de tweede vervolging voor het misdrijf. Een complicatie is nog dat de oproeping voor de behandeling van het verzet niet tevens is verzonden naar het adres dat op de akte rechtsmiddel bij wijze van noot van de griffier is aangegeven. Maar een nietigverklaring van deze oproeping door het hof heeft geen enkele zin omdat een nieuwe oproeping voor een verzetbehandeling van de misdrijfzaak er enkel op zou kunnen neerkomen dat de politierechter hetzij verzoeker niet ontvankelijk verklaart in dit verzet, hetzij het verzet maar opvat als hoger beroep en de zaak weer naar het hof terugstuurt.
3 Vgl. HR NJ 1996, 700 en 1989, 88.
4 Dit kan immers niet als een daad van vervolging worden beschouwd. Zie hieromtrent Van Dorst, De verjaring van het recht tot strafvordering, 1985, diss., p. 208-210.
5 Aldus reeds de conclusie van het openbaar ministerie vóór de zaak gepubliceerd in HR DD 1979.178. Het instellen van het hoger beroep - of beroep in cassatie - impliceert namelijk bekendheid met het vonnis - of arrest - waarop het desbetreffende beroep betrekking heeft. Zie DD 90.222 en HR NJ 1999,179.
6 HR NJ 1968, 85.
7 Dat het enkel in het belang is van de verdachte, om een rechtsmiddel - na verjaring - toch als een rechtsmiddel in de zin van de wet te willen beschouwen spreekt voor zich. Om te kunnen beschikken over een dictum dat de officier van justitie - alsnog - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, is een nadere rechtsingang nu eenmaal onontbeerlijk.