ECLI:NL:PHR:2000:AA8829
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring vervolgingsrecht en onontvankelijkheid bij hoger beroep en cassatie
Verzoeker is op 14 januari 1994 bij verstek veroordeeld voor een misdrijf en een overtreding. Tegen het vonnis van 28 april 1995, waarbij verzoeker wederom werd veroordeeld, tekende hij op 14 oktober 1997 hoger beroep aan, dat echter niet als cassatie werd ingesteld. De stukken werden naar de Hoge Raad gezonden, maar het verzoek om hoger beroep was niet het juiste rechtsmiddel voor het misdrijf.
De Hoge Raad stelt vast dat het hoger beroep voor het misdrijf moet worden doorgezonden naar het gerechtshof te Arnhem, omdat beroep in cassatie niet openstaat voor dat feit. Voor de overtreding is het hoger beroep omgezet in cassatie. De Raad concludeert dat het vervolgingsrecht voor de overtreding inmiddels is verjaard, omdat tussen de betekening van het vonnis en de aanzegging van de rechtsdag in cassatie meer dan twee jaar zijn verstreken.
De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de overtreding. Het arrest benadrukt het belang van correcte rechtsmiddelen en de werking van verjaring in strafprocedures, waarbij het instellen van hoger beroep niet automatisch een stuitingsdaad is als de termijn al is verstreken.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de overtreding wegens verjaring.