ECLI:NL:PHR:2000:AA8892
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijn en ingangsdatum machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis
Betrokkene is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Assen op grond van een voorlopige machtiging, deels als paraplumachtiging met voorwaarden voor voorwaardelijk ontslag. De officier van justitie diende een vordering in tot machtiging tot voortgezet verblijf, enkele maanden vóór het einde van de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging. Betrokkene stelde dat deze vordering te vroeg was ingediend, in strijd met art. 17 lid 1 Wet Pro Bopz, en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaard moest worden.
De rechtbank verwierp dit verweer en verleende de machtiging tot voortgezet verblijf voor zes maanden, ingaande op de dag van beschikking. De Hoge Raad bevestigt dat art. 17 lid 1 Wet Pro Bopz geen sanctie bevat voor het te vroeg indienen van de vordering en dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. Ook bij een overlap van geldigheidsduur tussen de eerdere voorlopige machtiging en de nieuwe machtiging is het toegestaan dat de nieuwe machtiging met ingang van de dag van dagtekening in werking treedt.
De Hoge Raad wijst op eerdere jurisprudentie en doctrinaire commentaren die aangeven dat de termijn in art. 17 lid 1 Wet Pro Bopz slechts een aanwijzing is voor het tijdig indienen, zonder sanctie bij overschrijding. De rechtbank mag de duur van de machtiging beperken tot minder dan het maximaal toegestane jaar. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vordering tot machtiging voortgezet verblijf is ontvankelijk ondanks te vroege indiening en de machtiging gaat in op de dag van beschikking.