ECLI:NL:PHR:2000:AA8895
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijslastverdeling bij betwisting arbeidsovereenkomst en wijziging eis in hoger beroep
In deze zaak vordert eiser betaling van achterstallig loon op grond van een vermeende arbeidsovereenkomst met verweerster. Verweerster betwist het bestaan van een arbeidsovereenkomst en stelt dat eiser als zelfstandig ondernemer werkte, waarbij zij jaarlijks een voorschot op provisie betaalde. De kantonrechter wees de vorderingen van beide partijen af, waarbij werd geoordeeld dat eiser het bewijs van een gezagsverhouding niet had geleverd.
Eiser ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de bewijslast onterecht bij hem lag en dat hij ook op subsidiaire grondslag een agentuurovereenkomst kon aanvoeren. De rechtbank bekrachtigde het eerdere vonnis en oordeelde dat de agentuurovereenkomst als nieuwe grondslag ondeugdelijk was omdat deze niet strookte met de eerdere stellingen.
De Hoge Raad bevestigt dat de hoofdregel van art. 177 Rv Pro geldt, waarbij de partij die zich beroept op rechtsgevolgen de bewijslast draagt. Een afwijking op grond van redelijkheid en billijkheid is mogelijk maar niet gebleken in deze zaak. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het in hoger beroep is toegestaan om de grondslag van de vordering te wijzigen, ook als dit een koerswijziging inhoudt, tenzij de wederpartij zich hiertegen verzet. Ambtshalve kan de rechter dit niet tegenhouden.
De Hoge Raad vernietigt het tussenvonnis en het eindvonnis en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling. Verweerster wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt eerdere vonnissen en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling.