ECLI:NL:PHR:2000:AA9069

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01386/99
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 437 SvArt. 440 SvArt. 441 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding termijn en beperkte staatsverantwoordelijkheid voor rechtsbijstand

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens poging tot zware mishandeling en bedreiging. Na deze veroordeling stelde verdachte beroep in cassatie in, maar diende dit niet tijdig in binnen de wettelijke termijn van zestig dagen. Een verzoek tot verlenging van deze termijn werd door de Hoge Raad afgewezen omdat de wet geen verlenging toestaat en de overschrijding niet aan de justitiële autoriteiten kon worden toegerekend.

Verdachte voerde aan dat zijn raadsman zich onttrok aan de zaak, waardoor hij niet tijdig een schriftuur kon indienen, en dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin werd bepaald dat de staat niet verantwoordelijk is voor tekortkomingen van de gekozen advocaat, tenzij de staat zelf tekortschiet in het waarborgen van de rechten.

De Hoge Raad concludeerde dat de stukken tijdig waren verzonden en dat er geen sprake was van onvoldoende rechtsbijstand door de staat. Er was dan ook geen reden om de termijn te verlengen of het beroep ontvankelijk te verklaren. Verdachte kon het cassatieberoep wel mondeling toelichten tijdens de terechtzitting. Er werden geen gronden voor vernietiging van het arrest van het Hof aangetroffen, zodat het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van schrifturen zonder gegronde reden.

Conclusie

Mr Fokkens
Nr. 01386/99
Zitting 24 oktober 2000
Conclusie inzake
[verdachte]:
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, telkens meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. In deze zaak heeft zich in de procedure na de veroordeling in hoger beroep het volgende voorgedaan. Verdachte heeft op 13 juli 1999 tegen een arrest van het Hof te Den Haag van 30 juni 1999 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ex. 437 Sv is aan verdachte betekend op 19 mei 2000, waarbij verdachte is meegedeeld dat binnen zestig dagen na de betekening bij de Hoge Raad een schriftuur kan worden ingediend. Op 17 juli 2000 is bij de strafgriffie van de Hoge Raad een namens verdachte door Dr. M. A. Mahmoud ingediend verzoek tot verlenging van die termijn ingekomen. Nadat namens de griffier was bericht dat de griffier geen aanhouding kan verlenen, heeft verdachte op 18 juli een als “cassatieschriftuur” aangeduid verzoek ingediend, waarin hij de Hoge Raad verzoekt om hem alsnog in de gelegenheid te stellen een schriftuur met middelen van cassatie in te dienen.
3. Voor wat betreft het verzoek tot aanhouding geldt dat de tekst van de wet niet voorziet in de mogelijkheid om de termijn voor het indienen van schrifturen te verlengen. In de kamerstukken is bij de totstandkoming van de wetswijziging 25 240 de navolgende passage opgenomen: "De termijn welke geldt voor het indienen van een schriftuur is niet voor verlenging vatbaar. Door of namens de verdachte, aan wie is aangezegd dat de zaak in behandeling wordt genomen na het verstrijken van de voor het indienen van een cassatieschriftuur openstaande termijn, kan uiteraard het verzoek worden gedaan dat het cassatieberoep door een advocaat op de rechtsdag of op een nader te bepalen dag mondeling wordt toegelicht. Indien dergelijke klachten gegrond zijn, zou de Hoge Raad daarop -ook al is de termijn van indiening overschreden- toch reeds ambtshalve acht op behoren te slaan. Zijn de bij zodanige toelichting opgeworpen klachten echter niet gegrond, dan zullen zij in het arrest niet nadrukkelijk behoeven te worden behandeld. Ingevolge het eerste lid van art. 440 (art. 441 oud Pro) kan een in cassatie bestreden uitspraak ook worden vernietigd op andere (dan bij tijdig ingekomen schriftuur) gronden".
4. Hieruit volgt ondubbelzinnig dat de strekking van de nieuwe cassatieprocedure is dat na het verstrijken van de zestig dagen, waarbinnen een schriftuur met middelen van cassatie kan worden ingediend, niet de mogelijkheid bestaat alsnog middelen in te dienen. Uitzonderingen zijn slechts mogelijk indien de verdachte/raadsman buiten zijn schuld in de onmogelijkheid verkeert tijdig zijn middelen in te dienen, bijvoorbeeld omdat hij van de griffie van de Hoge Raad niet tijdig alle stukken heeft ontvangen. In zoverre kan een parallel worden getrokken met de rechtspraak over het te laat instellen van een rechtsmiddel: slechts indien dit verdachte redelijkerwijs niet kan worden verweten, is hij dan ontvankelijk in zijn beroep (Vgl. Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, p. 747).
5. In het verzoek om verlenging van de termijn wordt betoogd dat in casu een afwijzing van het verzoek in strijd zou zijn met art. 6 EVRM Pro. Verdachte zou niet tijdig een schriftuur hebben kunnen indienen, omdat zijn raadsman hem ongeveer een week voor het einde van de termijn van zestig dagen zou hebben bericht dat hij geen schriftuur zal indienen en zich aan de zaak onttrekt. Niet verlenging van de termijn zou betekenen dat verdachte zijn recht op verdediging niet kan uitoefenen.
6. Op grond van art. 6, derde lid sub b en c, EVRM heeft een ieder het recht :
"b. to have adequate time and facilities for the preparation of his defence" and "c. to defend himself in person of through legal assistance of his own choosing or, if he has not sufficient means to pay for legal assistance, to be given it free when the interests of justice so require"
7. In de zaak Kamasinski tegen Oostenrijk1 oordeelde het EHRM over de verantwoordelijkheid van de staat voor de tekortkomingen in de verdediging door een toegevoegd raadsman. Vier jaar later kwam de vraag aan de orde in hoeverre de staat verantwoordelijk is, indien een gekozen raadsman tekortschiet in het verlenen van rechtsbijstand.2
8. In beide zaken oordeelde het EHRM dat de staat de in artikel 6 lid 3 onder Pro b en c neergelegde rechten moet waarborgen, maar dat de lidstaat niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor elke tekortkoming van de kant van de gekozen of toegevoegde advocaat. In de zaak Daud3 liet het EHRM bij zijn oordeel dat art. 6 lid 1 jo Pro lid 3 onder c EVRM geschonden was, meewegen dat de geconstateerde gebreken in de rechtsbijstand in het vooronderzoek en het onderzoek in eerste aanleg niet een latere fase van de procedure gerepareerd waren.
9. Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat het verzoek van verdachte om hem een nieuwe termijn te geven, waarbinnen door of namens hem een schriftuur met middelen van cassatie kan worden ingediend, moet worden afgewezen. Dat er niet tijdig een schriftuur kan worden ingediend, ligt niet aan het tekortschieten van de justitiële autoriteiten. De stukken zijn tijdig verzonden. Uit de omstandigheid dat mr Groen op 6 juli 2000 een brief aan verdachte schrijft, dat hij noch in de uitspraak van het Hof noch in de procedure een aanknopingspunt heeft aangetroffen om een middel van cassatie in te dienen, kan niet volgen dat er geen goede rechtsbijstand is verleend. De gronden voor cassatie zijn immers beperkt. Er is dan ook geen reden om op grond van de beperkte verantwoordelijkheid van de staat voor de wijze waarop rechtsbijstand wordt verleend aan de verdachte, de termijn voor het indienen van een schriftuur te verlengen. Het voorgaande betekent tevens dat geen acht hoeft te worden geslagen op het op 16 oktober 2000 binnengekomen schrijven van verdachte. De in dat schrijven opgevoerde klachten behoeven, gelet op mijn oordeel dat aan verdachte geen nieuwe termijn hoeft te worden gegeven, geen bespreking.
10. In dat verband wijs ik erop dat de Hoge Raad ambtshalve de uitspraak van het Hof kan vernietigen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. Tenslotte belet de omstandigheid dat er geen mogelijkheid meer is om tijdig een schriftuur in te dienen, de verdachte niet om het cassatieberoep ter terechtzitting te doen toelichten door een advocaat of in zijn reactie op de conclusie zijn bezwaren tegen het arrest van het Hof naar voren te brengen.
11. In de zaak zelf heb ik geen gronden voor vernietiging van de uitspraak van het Hof aangetroffen, zodat ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Kamasinski tegen Oostenrijk, EHRM 19 december 1989, NJ 1994, 26
2Imbroscia tegen Zwitserland, EHRM 24 november 1993, NJ 1994, 459
3Daud tegen Portugal, EHRM 21 april 1998, DD 1998, p. 689