ECLI:NL:PHR:2000:AA9069
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens overschrijding termijn en beperkte staatsverantwoordelijkheid voor rechtsbijstand
Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens poging tot zware mishandeling en bedreiging. Na deze veroordeling stelde verdachte beroep in cassatie in, maar diende dit niet tijdig in binnen de wettelijke termijn van zestig dagen. Een verzoek tot verlenging van deze termijn werd door de Hoge Raad afgewezen omdat de wet geen verlenging toestaat en de overschrijding niet aan de justitiële autoriteiten kon worden toegerekend.
Verdachte voerde aan dat zijn raadsman zich onttrok aan de zaak, waardoor hij niet tijdig een schriftuur kon indienen, en dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin werd bepaald dat de staat niet verantwoordelijk is voor tekortkomingen van de gekozen advocaat, tenzij de staat zelf tekortschiet in het waarborgen van de rechten.
De Hoge Raad concludeerde dat de stukken tijdig waren verzonden en dat er geen sprake was van onvoldoende rechtsbijstand door de staat. Er was dan ook geen reden om de termijn te verlengen of het beroep ontvankelijk te verklaren. Verdachte kon het cassatieberoep wel mondeling toelichten tijdens de terechtzitting. Er werden geen gronden voor vernietiging van het arrest van het Hof aangetroffen, zodat het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van schrifturen zonder gegronde reden.