ECLI:NL:PHR:2000:AA9131
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van de verklaringsprocedure door faillissement van de schuldenaar en gevolgen voor kostenveroordeling derde-beslagene
Deze zaak betreft de vraag of een procedure op grond van artikel 477a lid 4 Rv, gericht op afgifte van gelden door een derde-beslagene, automatisch eindigt door het faillissement van de schuldenaar/beslagene en of dit een kostenveroordeling van de derde-beslagene in de weg staat. De Ontvanger van de Belastingdienst had derdenbeslagen gelegd onder een derde-beslagene, die een schuld erkende maar in gebreke bleef met betaling.
De rechtbank wees de vordering af na het faillissement van Nebelux B.V., de schuldenaar, en het hof bevestigde dit oordeel. De Ontvanger stelde cassatie in tegen het achterwege laten van een kostenveroordeling. De Hoge Raad overweegt dat de procedure tegen de derde-beslagene eindigt door het faillissement van de schuldenaar, conform vaste jurisprudentie (Doll/Ten Have en Euraz/Van Tuijn). Hierdoor kan geen kostenveroordeling worden opgelegd aan de derde-beslagene.
Hoewel de Ontvanger een gewijzigde rechtsopvatting aanvoerde, oordeelt de Hoge Raad dat deze niet tot vernietiging leidt, mede omdat het hof de vordering uitsluitend op de door de Ontvanger gestelde grondslag mocht beoordelen. De Hoge Raad benadrukt dat de bescherming van de derde-beslagene vereist dat deze niet onterecht met kosten blijft zitten na faillissement van de schuldenaar.
De conclusie is dat het cassatieberoep wordt verworpen en de Ontvanger wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van de derde-beslagene.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Ontvanger wordt verworpen en de kostenveroordeling tegen de derde-beslagene wordt afgewezen.