ECLI:NL:PHR:2000:AA9131
Parket bij de Hoge Raad
- Mr. J. Bakels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de gevolgen van faillissement voor de verklaringsprocedure in het beslagrecht
In deze zaak gaat het om de vraag of een procedure op basis van artikel 477a lid 4 Rv van rechtswege eindigt door de faillietverklaring van de schuldenaar/beslagene en of dit een kostenveroordeling ten laste van de derde-beslagene in de weg staat. De Ontvanger van de Belastingdienst heeft in 1997 derdenbeslagen gelegd onder Nebelux B.V. en heeft vervolgens een procedure aangespannen tegen de derde-beslagene, [verweerster]. Na de faillietverklaring van Nebelux B.V. heeft de rechtbank de vordering van de Ontvanger afgewezen, omdat het geding door het faillissement van de beslagene was geëindigd op grond van artikel 33 Fw. De Ontvanger ging in hoger beroep, maar het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank. In cassatie werd de vraag aan de orde gesteld of de procedure tegen de derde-beslagene voortgezet kon worden, ondanks het faillissement van de beslagene. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringsprocedure niet van rechtswege eindigt door het faillissement van de schuldenaar, maar dat dit niet betekent dat de derde-beslagene automatisch in de proceskosten kan worden veroordeeld. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de vordering van de Ontvanger niet kon leiden tot een kostenveroordeling, omdat de derde-beslagene niet in verzuim was en de kosten nodeloos waren veroorzaakt. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en de Ontvanger in de proceskosten veroordeeld.