ECLI:NL:PHR:2000:ZD1682
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens overschrijding redelijke termijn in strafzaak
In deze strafzaak werd het openbaar ministerie door het gerechtshof niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De zaak betrof ernstige belasting- en steunfraude met een benadeling van bijna ƒ 100.000. Het hof oordeelde dat het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van de zaak zodanig was dat niet kon worden gesproken van een redelijke termijn.
De procureur-generaal stelde cassatie in tegen dit arrest en voerde aan dat de overschrijding niet volledig aan het openbaar ministerie te wijten was, omdat de vertraging mede werd veroorzaakt door het niet verschijnen van een tolk en een getuige die correct waren opgeroepen. Toch erkende hij dat het openbaar ministerie onvoldoende actie had ondernomen om de lange tussenpozen tussen zittingen te voorkomen.
De Hoge Raad overwoog dat in beginsel strafvermindering de aangewezen sanctie is bij overschrijding van de redelijke termijn, maar dat in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid kan volgen. Gezien de ernst van de vertraging en het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging, oordeelde de Hoge Raad dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.