Conclusie
Zitting: 28 maart 2000
[verzoeker ]
eerstemiddel bevat een dubbele klacht en wel - in deze volgorde - dat de Rechtbank het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als handelen in strijd met het bij art. 9 Jachtwet Pro gestelde voorschrift (en aldus ten onrechte heeft aangenomen dat het bewezenverklaarde een strafbaar feit oplevert), en dat de dagvaarding niet een behoorlijke feitelijke omschrijving bevat van hetgeen verzoeker wordt verweten zodat zij wegens strijd met art 261 Sv Pro nietig verklaard zou moeten worden.
(een) eend(en), zijnde wild als bedoeld in artikel 2 van Pro de Jachtwet". Opmerking verdient dat het in art. 9 Jachtwet Pro opgenomen verbod geen nader onderscheid maakt aan de hand van de in art. 2 van Pro die wet genoemde wildsoorten. Zou, bijvoorbeeld, dat jachtverbod ten aanzien van de in art. 2 lid 1 onder Pro c Jachtwet genoemde 'krakeenden' (Anas strepera) zijn verbonden aan omstandigheden (zoals een tijdvak) die niet op dezelfde wijze gelden voor de jacht op 'kuifeenden' (Aythya fuligula), dan zou het ontbreken van een nadere aanduiding van de eendensoort in de tenlastelegging tot gevolg kunnen hebben dat niet duidelijk is welk verwijt daarin besloten ligt. Dat doet zich evenwel niet voor. Ten aanzien van ieder dier dat als 'wild' is aangemerkt is het jagen verboden tenzij de verdachte zich kan beroepen op de uitoefening van een jachtgenot of op een vergunning als bedoeld in art. 9 Jachtwet Pro.
een eend, zijnde wild als bedoeld in artikel 2 van Pro de Jachtwet". Er kan dus niet worden gezegd dat in de bewezenverklaring iedere aanduiding van het bestanddeel van de wettelijke delictsomschrijving ontbreekt, zoals bijvoorbeeld het geval was in HR NJ 1989, 631. Evenmin kan gezegd worden dat de Rechtbank de kwalificatie heeft doen berusten op een bewezenverklaring die ten aanzien van het door verzoeker gejaagde dier op zichzelf beschouwd reeds volledig kwalificatief van aard was. [5]
was een wilde eend (Anas platyrhynchos) en derhalve waterwild als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder Pro c van de Jachtwet" heeft de Rechtbank terecht het bewezenverklaarde aangemerkt als een overtreding van het in art. 9 Jachtwet Pro opgenomen verbod.
tweedemiddel wordt erover geklaagd dat de Rechtbank heeft nagelaten de weerlegging van het ter zitting gevoerde verweer, dat hetgeen verzoeker wordt verweten niet is aan te merken als 'jagen' in de zin van de Jachtwet, uitdrukkelijk te motiveren.
de handelingen, welke de strekking hebben levend wild in de macht van den mens te brengen", als genoemd in HR NJ 1958, 312.