ECLI:NL:PHR:2000:ZD1984
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uitleveringsverzoek bij gelijktijdige strafvervolging in Nederland
In deze zaak heeft de Hoge Raad het oordeel bevestigd dat de beslissing over de toelaatbaarheid van uitlevering aan een ander land, terwijl er een strafvervolging in Nederland loopt, uitsluitend aan de Minister van Justitie toekomt. Dit betekent dat de rechterlijke macht niet bevoegd is om de uitleveringsprocedure op te schorten of te weigeren op grond van een lopende vervolging in Nederland.
De verdediging had een beklag ex art. 12 Sv Pro ingesteld om de uitlevering te voorkomen door een strafvervolging in Nederland uit te lokken. De Hoge Raad benadrukt dat dit beklag geen schorsende werking heeft op de uitleveringsprocedure en dat de officier van Justitie terecht geen gevolg gaf aan dit beklag om de uitlevering te vertragen.
Verder bespreekt de Hoge Raad de hypothetische vraag of de Minister van Justitie zijn bevoegdheid kan uitoefenen wanneer het hof op grond van art. 12i Sv een bevel tot vervolging heeft gegeven. De conclusie is dat de wet geen uitzondering maakt en dat de minister ook dan zijn beoordelingsruimte behoudt, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn.
De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel af en bevestigt dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard door de rechtbank. Er is geen reden tot ambtshalve vernietiging van het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de minister bevoegd is om uitlevering toe te staan ondanks een lopende strafvervolging in Nederland en wijst het cassatieberoep af.