ECLI:NL:PHR:2000:ZD1984

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juli 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
00656/00 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 UitleveringswetArt. 12 SvArt. 12i SvArt. 28 UitleveringswetArt. 5 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitleveringsverzoek bij gelijktijdige strafvervolging in Nederland

In deze zaak heeft de Hoge Raad het oordeel bevestigd dat de beslissing over de toelaatbaarheid van uitlevering aan een ander land, terwijl er een strafvervolging in Nederland loopt, uitsluitend aan de Minister van Justitie toekomt. Dit betekent dat de rechterlijke macht niet bevoegd is om de uitleveringsprocedure op te schorten of te weigeren op grond van een lopende vervolging in Nederland.

De verdediging had een beklag ex art. 12 Sv Pro ingesteld om de uitlevering te voorkomen door een strafvervolging in Nederland uit te lokken. De Hoge Raad benadrukt dat dit beklag geen schorsende werking heeft op de uitleveringsprocedure en dat de officier van Justitie terecht geen gevolg gaf aan dit beklag om de uitlevering te vertragen.

Verder bespreekt de Hoge Raad de hypothetische vraag of de Minister van Justitie zijn bevoegdheid kan uitoefenen wanneer het hof op grond van art. 12i Sv een bevel tot vervolging heeft gegeven. De conclusie is dat de wet geen uitzondering maakt en dat de minister ook dan zijn beoordelingsruimte behoudt, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn.

De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel af en bevestigt dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard door de rechtbank. Er is geen reden tot ambtshalve vernietiging van het bestreden vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de minister bevoegd is om uitlevering toe te staan ondanks een lopende strafvervolging in Nederland en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

Nr. 00656/00 U
Mr Jörg
Zitting 20 juni 2000
Conclusie inzake:
[De opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbaar College,
1. De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 februari 2000 de gevraagde uitlevering ter strafvervolging van verzoeker aan Frankrijk toelaatbaar verklaard.
2. Namens verzoeker hebben mr J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en mr J.Y. Taekema, advocaten te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de rechtbank art. 9, lid 1 en 2 onder a en art. 28, lid 1, 2 en 3 Uitleveringswet heeft geschonden, nu zij blijkens haar motivering voorbij ziet aan het gegeven dat het de minister van Justitie niet vrij staat om na een daartoe door het gerechtshof ex art. 12i Sv gegeven bevel tot vervolging, die vervolging met gebruikmaking van de hem bij art. 9, lid 2 Uitleveringswet gegeven bevoegdheid en/of de gezagsverhouding voortvloeiende uit art. 5 RO Pro, alsnog te doen eindigen.
4. Laat ik vooropstellen dat het dossier geen aanwijzing bevat dat op het moment van de uitspraak van de rechtbank waarin de uitlevering van verzoeker toelaatbaar wordt verklaard, een beslissing van het hof op het gestelde beklag ex art. 12 e.v. Sv is genomen. Filosoferen over een wel genomen beslissing tot vervolging is dus vrijblijvend.
5. De situatie was dat de raadsman ter zitting gewag maakte van het feit dat beklag ex art. 12 Sv Pro was ingesteld.
Dit moet worden gezien in het licht van de poging van de verdediging om de uitlevering af te wenden door een vervolging hier te lande uit te lokken. Voor dit karretje heeft de officier van Justitie zich echter - naar mijn mening terecht - niet willen laten spannen (zie brief van mr H.F. Mos van 6.1.2000).
Voorts bevat de wet geen voorziening dat het instellen van een dergelijk beklag schorsende werking kan, laat staan moet, hebben op een uitleveringsprocedure. Zelfs een wel reeds ingestelde vervolging hier te lande heeft immers geen schorsende werking op een uitleveringsprocedure: de uitlevering kan dan enkel toelaatbaar worden verklaard indien de minister van Justitie opdracht geeft de vervolging te staken (vgl. Vademecum strafzaken, deel 4, p. [58]-173/174;
zie ook de voetnoot op p. 173: tegen de opdracht van de minister om de vervolging te staken kan beklag worden gedaan ex art. 12 Sv Pro).
6. In het licht van het bovenstaande geeft de - m.i. enigszins ten overvloede gegeven - overweging van de rechtban (er is immers geen sprake van een strafvervolging van verzoeker in Nederland) omtrent de mogelijkheid van de Minister om opdracht te geven een reeds aangevangen vervolging hier te lande te staken geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, in het bijzonder niet van de in het middel genoemde artikelen van de Uitleveringswet.
7. Rest nog de - in casu hypothetische - vraag of de minister van Justitie de in art. 9, tweede lid, UW genoemde beslissingsbevoegdheid ook heeft wanneer het gaat om een Nederlandse strafvervolging die is voortgevloeid uit een door het hof cfm art. 12i Sv gegeven bevel tot vervolging. (Voor de goede orde: het in het middel genoemde arrest van 1984 mist toepassing aangezien het in casu niet gaat om een aan een verdachte toekomende aanspraak op voortzetting van een strafprocedure nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen.)
8. Ook hier bevat de wet geen voorziening die een uitzondering maakt op het bepaalde in de Uitleveringswet. Dat aan de minister geen beoordelingsruimte meer zou overblijven indien zo'n bevel is gegeven kan ik - anders dan de stellers van het middel - niet inzien, reeds omdat bij het gerechtshof aan de orde is de (opportuniteits)vraag of, en niet de vraag waar de vervolging het best kan plaats vinden, en de minister deze vraag in geval van gelijktijdige vervolging juist wel onder ogen moet zien. Wel kan ik mij voorstellen dat een dergelijk beëindigingsopdracht van de minister een bruuskerend effect kan hebben op het desbetreffende, onafhankelijk ten opzichte van de (niet-)vervolgende autoriteiten opererende, gerechtshof en dat de minister dit aspect tegenover de interstatelijke verplichtingen zal laten meewegen bij zijn beslissing. Alles zal dan echter van de omstandigheden van het geval afhangen, met name de vraag of in Nederland voorafgaande aan het uitleveringsverzoek reeds een serieuze vervolgingskwestie speelde. In casu is dit niet het geval. Het lijkt mij geenszins uitgesloten dat de minister aan een krachtens art. 12i Sv gegeven bevel tot vervolging gering gewicht zal toekennen bij zijn beslissing op grond van art. 9, tweede lid, UW, indien dat bevel door de opgeëiste persoon zelf is uitgelokt teneinde juist aan de verzochte uitlevering te ontkomen. Hoe dan ook: de strafrechter heeft hier geen taak.
9. Zoals ik echter reeds eerder heb opgemerkt doet de in het middel genoemde situatie zich in de onderhavige zaak niet voor. Het betreft hier een, ik zou bijna zeggen, eenvoudig verzoek om uitlevering, waarbij van een lopende vervolging in Nederland geen sprake is.
10. Het middel faalt derhalve.
11. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG