ECLI:NL:PHR:2001:AA9368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens uiting van geloofsverkondiging ondanks beledigende woorden over homoseksuelen
De zaak betreft een parlementariër die in een interview in 1996 uitlatingen deed waarin hij praktiserende homoseksuelen op één lijn stelde met plegers van misdrijven, wat als beledigend werd aangemerkt onder artikel 137c Sr. De rechtbank veroordeelde hem, maar het gerechtshof sprak hem vrij omdat de uitlatingen in de context van een geloofsverkondiging vielen en daardoor niet als beledigend konden worden beschouwd.
Het hof oordeelde dat de retorische vraag waarom een praktiserend homoseksueel beter zou zijn dan een dief, hoewel op zichzelf beledigend, in de context van het interview een illustratie was van de uitgedragen geloofsovertuiging. De uitlatingen werden dus beschermd door de grondrechten op godsdienstvrijheid en meningsuiting.
In cassatie werd onderzocht of het hof dit oordeel terecht had geveld. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de context en de bedoeling van de uitlatingen juist had meegewogen en dat de uitlatingen als geloofsverkondiging konden worden aangemerkt. Hoewel de woorden als grievend konden worden ervaren, tastten zij de waardigheid van homoseksuelen niet in strafrechtelijke zin aan.
Omdat het hof een zuivere vrijspraak had gegeven, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Hierdoor bleef de vrijspraak in stand en werd niet inhoudelijk op het middel ingegaan.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de vrijspraak wegens uiting van geloofsverkondiging.