ECLI:NL:PHR:2001:AA9370
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs letsel en verwijst zaak terug
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage had verzoeker veroordeeld voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarbij lichamelijk letsel was toegebracht, met een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Verzoeker stelde cassatie in tegen deze uitspraak met vijf middelen.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende bleek dat het slachtoffer zodanig letsel had opgelopen dat tijdelijke verhindering in normale bezigheden was veroorzaakt. Hoewel het letsel pijnlijk en hinderlijk was, ontbrak bewijs over de duur en aard van de belemmeringen. Daarom werd het eerste middel gegrond verklaard en het arrest vernietigd.
Andere middelen, waaronder het causale verband tussen het door rood licht rijden en het ongeval, werden verworpen. De Hoge Raad verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in het derde middel over het horen van een getuige. Verder werd een klacht over overschrijding van termijnen deels gegrond verklaard, wat aanleiding gaf tot strafvermindering bij hernieuwde berechting.
De zaak wordt verwezen naar een ander hof voor een nieuwe beoordeling op basis van de bestaande stukken, waarbij het hof ook de strafvermindering moet bepalen. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging.
Uitkomst: Het arrest is vernietigd en de zaak is verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting met strafvermindering.