ECLI:NL:PHR:2001:AA9430

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/072HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Interpretatie van investeringsbedrag in verzorgingsovereenkomst volgens Haviltex-criterium

In deze zaak draait het om de uitleg van een zinsnede in artikel 6 van Pro een verzorgingsovereenkomst, waarin onenigheid bestaat over de betekenis van het begrip 'bedrag' dat in de exploitatie is geïnvesteerd. De eiser stelt dat dit alleen betrekking heeft op de betalingen voor te mesten kuikens, terwijl de verweerster alle investeringen, inclusief aankoop van mestproductierechten en administratiekosten, onder dit begrip rekent.

De rechtbank te Arnhem had de eiser in de gelegenheid gesteld zijn uitleg te bewijzen en achtte zijn bewijsvoering voldoende. Het hof te Arnhem vernietigde dit vonnis echter en volgde de uitleg van de verweerster, waarbij het Haviltex-criterium en de maatstaf van redelijkheid en billijkheid werden toegepast.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht, omdat het niet is ingegaan op de stellingen over de onderhandelingen en het beoogde doel van de overeenkomst, noch op de getuigenverklaringen uit eerste aanleg. Hierdoor is niet controleerbaar of het oordeel van het hof begrijpelijk en juridisch juist is. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch voor volledige herbeoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Conclusie

Mr. Hartkamp
nr. C99/072HR
zitting 20 oktober 2000
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) De vaststaande feiten worden opgesomd in het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 13 maart 1997, r.o. 1, waarnaar ik moge verwijzen. Ook in cassatie zijn dit de relevante feiten.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van de volgende zinsnede in art. 6 van Pro de verzorgingsovereenkomst: "alsmede 15% van het bedrag dat in de exploitatie tot dat moment is geïnvesteerd". Volgens [eiser] betreft het begrip ‘bedrag’ louter het geld dat in de te mesten kuikens is geïnvesteerd, d.w.z. de door [verweerster] gedane betalingen ingevolge art. 1 en Pro art. 4B van de verzorgingsovereenkomst. Volgens [verweerster] betreft dat begrip al zijn investeringen, d.w.z. ook het bedrag van ¦ 450.000,- dat hij voor de aankoop van de mestproductierechten heeft aangewend, alsmede de administratiekosten.
De rechtbank heeft bij voormeld vonnis overwogen dat het meningsverschil zich niet leende voor oplossing door middel van het Haviltexcriterium (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. C.J.H.B.) omdat partijen onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft, en heeft [eiser] in staat gesteld zijn lezing te bewijzen. Na getuigenverhoor heeft zij [eiser] geslaagd geacht in de bewijslevering (vonnis van 14 augustus 1997).
In hoger beroep heeft het hof te Arnhem bij arrest van 17 nov. 1998 de lezing van [verweerster] gevolgd en het vonnis vernietigd. De kernoverwegingen zijn de r.o. 5.3 (eerste twee zinnen) en 5.5 - 5.7.
[Eiser] is van het arrest van het hof tijdig in cassatie gekomen en heeft een uit vier onderdelen opgebouwd cassatiemiddel voorgesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en arrest gevraagd.
Bespreking van het cassatiemiddel
2) Zoals blijkt uit de genoemde rechtsoverwegingen, heeft het hof, weliswaar onder verwijzing naar het Haviltexcriterium, zich geconcentreerd op de bewoordingen van de voormelde zinsnede en voor de interpretatie daarvan de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid aangehouden. Daar behoeft op zichzelf niets tegen te zijn (vgl. HR 11 juni 1999, NJ 1999, 750), maar in casu heeft het hof met geen woord gewag gemaakt van de stellingen van partijen over het verloop van de onderhandelingen en het door hen met de overeenkomst beoogde doel, noch van wat daaromtrent uit de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen al dan niet kan worden afgeleid. Ik meen dat het hof daarmee in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten, zoals de onderdelen 2 en 3 terecht aanvoeren. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de door [eiser] aangevoerde argumenten de door hem bepleite uitleg van het beding niet aannemelijk maken, maar het had m.i. dat oordeel niet zonder (enige) motivering mogen laten, omdat door het achterwege laten van een motivering aan partijen en aan de cassatierechter de mogelijkheid wordt onthouden om te controleren of dat oordeel begrijpelijk is en of het op een juiste rechtsopvatting berust.
De zaak zal na verwijzing in haar geheel opnieuw moeten worden onderzocht. De onderdelen 1 en 4 behoeven geen behandeling.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(Advocaat-Generaal)