ECLI:NL:PHR:2001:AA9668
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende motivering goede trouw
De schuldenaar verzocht de rechtbank Almelo om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen op grond van art. 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro omdat hij een lening was aangegaan zonder aflossingscapaciteit en zonder reële pogingen tot werk. Het hof Arnhem bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat de schuldenaar niet te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schuld, mede vanwege een schuld aan de gemeente uit teruggevorderde bijstand.
De schuldenaar voerde cassatie in met het middel dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met zijn motief voor het aangaan van de lening (het ophalen van zijn vrouw en kind) en met zijn latere inspanningen om af te lossen en werk te vinden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof weliswaar een waardering heeft gegeven waarin de mate van verwijtbaarheid is betrokken, maar dat het oordeel onvolledig is omdat het niet duidelijk is hoe het hof de latere gedragingen van de schuldenaar heeft meegewogen.
De Hoge Raad stelt dat het hof bij de beoordeling van goede trouw ook rekening moet houden met de inspanningen van de schuldenaar na het ontstaan van de schuld. Omdat het hof hierover onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak verwezen naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling. De overige klachten behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.