ECLI:NL:PHR:2001:AA9764
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onttrekking procureur en toepassing schorsingsregels in civiele procedure
In deze zaak stond centraal de vraag of de onttrekking van de procureur door een partij in een civiele procedure aanleiding geeft tot schorsing van het geding op grond van art. 257 en Pro/of 258 Rv. De procureur van eiser had zich onttrokken aan de procedure, waarna eiser niet langer in hoger beroep was verschenen. Het hof verklaarde verweerster niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde eiser tot betaling van een geldbedrag.
Het cassatiemiddel betoogde dat het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro en de goede procesorde had gehandeld door de schorsingsregels niet analoog toe te passen na de onttrekking van de procureur. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat onttrekking van de procureur niet gelijkgesteld kan worden met overlijden of verlies van betrekking, zodat het geding niet wordt geschorst.
De Hoge Raad benadrukte dat het aan de cliënt is om voor vervanging van de procureur te zorgen en dat het geding voortgang kan vinden, waarbij de cliënt zonder procureur geen proceshandelingen kan verrichten. Tevens werd gesteld dat de belangen van de wederpartij prevaleren en dat het niet aan de rechter is om misverstanden tussen cliënt en procureur ten koste van de wederpartij op te lossen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen, omdat noch het EVRM noch de goede procesorde vereisen dat het geding in een dergelijk geval wordt geschorst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; onttrekking van de procureur leidt niet tot schorsing van het geding.