ECLI:NL:PHR:2001:AA9885
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen vrijspraak wegens vernietiging vergunning met terugwerkende kracht
De zaak betreft een B.V. die werd verdacht van het handelen in strijd met voorschriften verbonden aan een milieuvergunning. Deze vergunning was echter door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met terugwerkende kracht vernietigd, waardoor volgens het hof geen sprake was van een geldige vergunning op het moment van de overtreding.
Het hof sprak de B.V. vrij omdat de vergunning niet meer bestond en er dus geen voorschriften konden zijn overtreden. De Procureur-Generaal stelde beroep in cassatie in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad moest beoordelen of dit cassatieberoep ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat een vrijspraak die is gebaseerd op het feit dat de vergunning met terugwerkende kracht is vernietigd, niet kan worden getoetst in cassatie. Dit omdat het hof zich niet heeft onttrokken aan de tenlastelegging, maar een vrijspraak heeft gegeven die niet als een andere vrijspraak in de zin van art. 430 Sv Pro kan worden beschouwd.
De Hoge Raad benadrukte dat de strafrechter gebonden is aan de vernietiging van de vergunning door de bestuursrechter en dat dit ex tunc werkt. De Procureur-Generaal werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. Tevens werd opgemerkt dat de B.V. profiteert van haar eigen nalatigheid om de juiste vergunning aan te vragen, maar dat dit geen strafrechtelijke gevolgen heeft zolang de vergunning formeel vernietigd is.
De uitspraak onderstreept de formele rechtskracht van bestuursrechtelijke besluiten en de beperkingen van cassatie tegen vrijspraken die hierop zijn gebaseerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Procureur-Generaal wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de terugwerkende kracht van de vernietigde vergunning.