ECLI:NL:PHR:2001:AA9896
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse kortgedingrechter en nietigheid effectenbemiddelingsovereenkomst wegens ontbreken vergunning
In deze zaak staat centraal of de president van de rechtbank in kort geding bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot terugbetaling van inleg en commissie door een belegger aan een Duitse effectenbemiddelaar, ondanks een arbitragebeding dat geschillen aan Duitse arbiters toewijst.
De belegger, Schothorst, sloot een bemiddelingsovereenkomst met Cogenius, een Duitse effectenbemiddelaar zonder Nederlandse vergunning zoals vereist onder de Wet toezicht effectenverkeer (WTE). Na aanzienlijke verliezen en betaling van hoge commissies vorderde Schothorst terugbetaling en vernietiging van de overeenkomst wegens strijd met dwingende wetsbepalingen.
De president verklaarde zich bevoegd en kende de vorderingen toe, wat door het hof werd bekrachtigd. Het hof oordeelde dat het arbitragebeding de bevoegdheid van de kortgedingrechter niet uitsluit en dat de WTE als dwingend recht toepassing vindt, waardoor de overeenkomst nietig is. De Hoge Raad stelt dat de bevoegdheid van de kortgedingrechter wordt beheerst door het EEX-verdrag en dat voorlopige maatregelen onder art. 24 EEX Pro kunnen worden getroffen, ook bij arbitrage, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest vanwege onvoldoende motivering omtrent de voorwaarden voor bevoegdheid op grond van art. 24 EEX Pro en verwijst de zaak voor nader onderzoek terug. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de overeenkomst nietig is wegens het ontbreken van de vereiste vergunning onder de WTE.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de bevoegdheid van de Nederlandse kortgedingrechter; de nietigheid van de bemiddelingsovereenkomst wegens het ontbreken van een vergunning wordt bevestigd.