6) Onderdeel 2.a klaagt dat het hof in r.o. 4.5.4 heeft nagelaten aan te geven waarom het van oordeel is dat de verontreiniging die het directe gevolg van de brand is (het in de bodem komen van chemicaliën doordat deze tijdens de brand met het bluswater zijn weggestroomd), aan [eiseres 1] is toe te rekenen. Het hof had dit vraagpunt apart moeten bespreken, aldus het onderdeel, omdat dit toerekeningsoordeel door [eiseres 1] in appel nadrukkelijk is bestreden.
Volgens onderdeel 2.b heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, indien en voorzover het arrest zo moet worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat de bij onderdeel 2.a genoemde verontreiniging aan [eiseres 1] is toe te rekenen. Volgens het onderdeel kan niet gezegd worden dat [eiseres 1] terzake van die verontreiniging als huurder in haar zorg tegenover de verhuurder is tekort geschoten. Immers, de brand, die door derden was aangestoken, vormde voor de B.V. overmacht: het door de klinkerbestrating in de bodem binnendringen van chemicaliën met het bluswater was in redelijkheid door de B.V. niet te voorkomen, aldus het onderdeel.
Ik meen dat ook deze onderdelen tevergeefs worden voorgesteld. De rechtbank (vonnis van 20 nov. 1996) heeft onder het kopje "De brand in 1982" aangenomen dat de verontreiniging mede is veroorzaakt door de brand in 1982, en wel enerzijds door het effect van het bluswater (r.o. 4.1), en anderzijds door de vertraagde opruiming van het terrein na de brand (r.o. 4.3). Zij heeft vervolgens in r.o. 4.4 de vraag of [eiseres 1] aansprakelijk kon worden gehouden voor de verontreiniging voorzover deze met de brand samenhangt, bevestigend beantwoord op grond dat de B.V. - weliswaar niet was tekortgeschoten in haar verplichtingen als huurster, maar wel - uit onrechtmatige daad aansprakelijk was, omdat het op haar weg had gelegen om na de brand onder het treffen van de nodige preventieve maatregelen onverwijld tot opruiming van het terrein over te gaan en de door de brand ontstane verontreiniging ongedaan te maken. De B.V. is tegen dit oordeel met haar grieven VI-XI opgekomen, en heeft in de daarop gegeven toelichting geen onderscheid gemaakt tussen de beide voormelde schadeoorzaken ("bluswater" en "vertraagde opruiming").
Tegen deze achtergrond moeten de r.o. 4.5.1 en 4.5.4 van 's hofs arrest (met name ook de woorden "de hierdoor veroorzaakte verontreiniging" in de eerste zin van r.o. 4.5.4) m.i. aldus worden verstaan, dat 's hofs oordeel mede betrekking heeft op de in verband met het blussen ontstane verontreiniging (het in de grond stromen van chemicaliën) en dat het hof, de grieven verwerpend, de aansprakelijkheid van [eiseres 1] evenals de rechtbank baseerde op onrechtmatige daad.
De beslissing van het Hof lijdt ook overigens niet aan motiveringsgebreken. Waar in de memorie van grieven wordt betoogd dat geen aansprakelijkheid bestaat op grond van art. 7A:1600 en dat het daarmee in tegenspraak zou zijn om aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad aan te nemen, oordeelt het hof dat de B.V. eraan voorbijziet dat art. 7A:1600 alleen ziet op de door de brand aan het gehuurde object veroorzaakte schade, maar dat dat niet de schade is waar het hier om gaat. Deze overweging wordt niet door de onderdelen bestreden.
Uit het voorafgaande volgt dat onderdeel 2.b feitelijke grondslag mist voorzover het (i) ervan uitgaat dat het hof de aansprakelijkheid van [eiseres 1] heeft gebaseerd op het tekortschieten door de B.V. in haar verplichtingen als huurster, en (ii) aanvoert dat zodanige aansprakelijkheid afstuit op het feit dat het tegelijk met het bluswater binnendringen van de chemicaliën in de grond overmacht oplevert. Het hof heeft immers een onrechtmatige daad aangenomen, bestaande uit het niet opruimen van de verontreiniging.
Ten overvloede voeg ik toe dat dit oordeel, dat overigens nauw samenhangt met feitelijke waarderingen en daarom slechts beperkt toetsbaar is in cassatie, m.i. niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: noch wat betreft de samenloop tussen verplichtingen uit overeenkomst en uit onrechtmatige daad, noch wat betreft de inhoud van laatstgenoemde verplichting. Voorts wijs ik, eveneens ten overvloede, op de recente beslissing in HR 30 juni 2000, RvdW 2000, 168 (gewezen na de schriftelijke toelichting in deze zaak), dat de wettelijke regeling van de verplichtingen van de huurder niet meebrengt dat een huurder bij oplevering van het gehuurde verplicht is "een niet door hem veroorzaakte, reeds bij de aanvang van de huur aanwezige bodemverontreiniging te verwijderen." Met deze beslissing zou het niet in strijd zijn om een opruimingsplicht op de huurovereenkomst te baseren, wanneer de verontreiniging zoals in casu tijdens de huur is ontstaan, en zij weliswaar niet door de huurder is veroorzaakt, maar wel in onmiddellijk verband staat met de aard van het door hem uitgeoefende bedrijf.