ECLI:NL:PHR:2001:AA9902
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake bezwaar beslagvrije voet in schuldsaneringsregeling
Verzoeker was onderworpen aan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, waarbij de rechtbank te Utrecht op 6 april 1999 de regeling van toepassing verklaarde. In juni 2000 maakte verzoeker bezwaar tegen de berekening van de beslagvrije voet door de rechter-commissaris. Op 30 augustus 2000 wijzigde de rechter-commissaris het maandelijkse in te houden bedrag met terugwerkende kracht tot 1 juli 2000, maar wees het verzoek tot restitutie van eerder ingehouden bedragen af.
Verzoeker diende op 1 september 2000 een beroepschrift in tegen een beschikking van 31 augustus 2000, waarin hij een herziening van de beslagvrije voet en de inhoudingen vorderde. De rechtbank verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat hoger beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris op grond van artikel 295, derde lid, Faillissementswet niet mogelijk is.
Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, met grieven over de ontvangst van de oproep en de toepassing van nieuw beleid met terugwerkende kracht. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat het hoger beroep niet ontvankelijk was en het stelsel van rechtsmiddelen gesloten is. De conclusie van de Procureur-Generaal was daarom niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in cassatie.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen de beschikking van de rechter-commissaris.