ECLI:NL:PHR:2001:AA9966

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/054HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ABWArt. 7 ABWArt. 13 ABWArt. 7:685 lid 8 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt terugvordering bijstand na ontbindingsvergoeding als inkomen

De gemeente Den Haag verstrekte Louali c.s. bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) in de periode 1991-1996. Louali ontving van zijn voormalige werkgever een nabetaling van salaris en een ontbindingsvergoeding. Deze bedragen werden niet gemeld aan de gemeente, die via de belastingdienst hiervan op de hoogte kwam en de bijstand terugvorderde.

De kantonrechter en rechtbank bevestigden de terugvordering van de bijstand, waarbij de ontbindingsvergoeding als inkomen werd aangemerkt. Louali c.s. stelde in cassatie dat deze vergoeding niet als inkomen moest worden beschouwd omdat het een aanvulling was op een lager inkomen en niet ter vervanging van bijstand.

De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat voor de toepassing van de ABW niet het karakter van de inkomsten uit arbeid relevant is, maar dat het gaat om inkomsten die als bestaansmiddelen kunnen dienen. De ontbindingsvergoeding wordt daarom als inkomen aangemerkt, tenzij ondubbelzinnig blijkt dat het een andere bestemming heeft.

De Hoge Raad volgde hiermee de lijn van eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep met kostenveroordeling.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat ontbindingsvergoeding als inkomen geldt voor terugvordering bijstand en wijst cassatieberoep af.

Conclusie

Nr. R 00/54 H Mr. Mok
(terugvordering bijstand) Conclusie inzake
Parket, 1 december 2000 1. A. LOUALI
2. S. EL BARAKA
tegen
gemeente DEN HAAG
Edelhoogachtbaar college,
1. Korte beschrijving van de zaak
1.1. De gemeente Den Haag, verweerster in cassatie, heeft verzoekers van
cassatie, Louali c.s, in de periode van 16 december 1991 tot 17 juni 1993
en van 2 september 1993 tot 1 augustus 1996 een uitkering verstrekt
ingevolge de - op de Algemene Bijstandswet (ABW) berustende - Rijks
groepsregeling werkloze werknemers (RWW) ter hoogte van de norm voor een
echtpaar.
1.2. Louali heeft van zijn voormalige werkgever (PTT Post) een nabetaling
van salaris van | 22.934 ontvangen over de periode 22 november 1991 tot en
met 14 september 1992, alsmede een vergoeding ter hoogte van |11.548,-
bruto in het kader van een ontbindingsprocedure van zijn
arbeidsovereenkomst<(1). De ontbindingsbeschikking van de ktr. van 14 september 1994 is gehecht aan de brief van 19
februari 1997 namens Louali c.s. aan de ktr. , alsmede als prod. 1 aan het verweerschrift
in appèl van de gemeente.
>. Die vergoeding was gelijk aan vier bruto
maandsalarissen.
In de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de
kantonrechter overwogen:
"De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per heden onder
toekenning van een vergoeding van |11.548,- bruto uit te keren ineens
als aanvulling op de door gerekestreerde ingevolge de sociale
verzekeringswetten te genieten uitkeringen c.q. het door hem elders
te verdienen lagere salaris (¼)."
1.3. Louali c.s. hebben verzuimd mededeling te doen van de ontvangen
bedragen<(2). Beschikking ktr. van 27 augustus 1997, onder 2; beschikking rb. van 20 maart 2000, onder
3.2
>. Door een melding van de belastingdienst is de gemeente hiervan
op de hoogte gekomen<(3). Vgl. verzoekschrift van de gemeente van 21 augustus 1996, p. 2.
>.
Op 14 maart 1996 hebben Louali c.s. een schuldbekentenis getekend ter
hoogte van | 22.934,45. Louali c.s. hebben toestemming gegeven om met
ingang van 1 april 1996 maandelijks |150,- op de uitkering in te houden
ter aflossing<(4). Bijlage 12 en 13 bij de reactie van de gemeente van 11 februari 1997; p-v van de
mondelinge behandeling van 19 februari 1997; vgl. beschikking van de ktr. van 27 augustus
1997, onder 4.
> .
1.4. De gemeente heeft zich bij een op 12 september 1996 ingekomen
verzoekschrift tot de kantonrechter in Den Haag gewend en verzocht - kort
weergegeven - dat de kantonrechter zou bepalen dat Louali c.s. een bedrag
van |30.912,22 (netto) schuldig waren, zijnde de verstrekte bijstand over
de periode van 22 november 1991 tot 14 januari 1993.
Bij beschikking van 27 augustus 1997 heeft de kantonrechter beslist
dat Louali c.s. het genoemde bedrag terzake van kosten van bijstand aan de
gemeente verschuldigd waren.
<
-? -
>
1.5. Tegen de beschikking van de kantonrechter heeft Louali c.s. op 30
september 1997 appèl ingesteld bij de rechtbank in Den Haag.
In hoger beroep zijn zij uitsluitend opgekomen tegen de
terugvordering van |11.548,- bruto over de periode 14 september 1992 tot
14 januari 1993.
Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de rechtbank de uitspraak van
de kantonrechter bekrachtigd.
1.6. Louali c.s. zijn (tijdig<(5). Ongeacht het toepasselijke recht, nl. binnen een termijn van acht weken, de kortste die
gegolden heeft.
>) in cassatie gekomen onder aanvoering van
één middel.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel is gericht tegen de laatste alinea van ro. 3.2. van de
beschikking van de rechtbank, waar deze laatste de (in de
ontbindingsbeschikking vastgestelde) vergoeding die Louali van zijn
voormalige werkgever heeft ontvangen, heeft aangemerkt als inkomsten.
De rechtbank heeft zich in de aangevallen overweging gebaseerd op de
ontbindingsbeschikking van de kantonrechter<(6). Zie hiervóór, § 1.2.
> , waarin deze de bestemming van
het bedrag heeft omschreven.
2.2. Het middel werpt op dat de vergoeding strekt ter aanvulling op een
uitkering of een lager salaris en niet ter vervanging van een uitkering of
salaris.
Deze stelling is, wat hiervan zij, niet relevant omdat bijstand op
grond van of krachtens de
ABW rekening houdt met de aanwezige bestaansmiddelen<(7). Vgl. de thans geldende versie van de Abw, artt. 7 en 13. Op deze zaak is de vóór 1 januari
1996 geldende versie van de ABW van toepassing. Daarin was het niet anders (art. 1 ABW Pro)
>.
2.3.1. Voorts wijst het middel erop dat een "afkoopsom" (waarmee het
doelt op een vergoeding in de zin van - thans - art. 7:685, lid 8, BW)
voor de toepassing van de Werkloosheidswet en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers niet als inkomsten
wordt beschouwd.
Ter adstructie wijst het middel op een uitvoeringsbesluit van
laatstgenoemde wet<(8). Besluit van de staatssecretaris van SZW van 24 december 1986, Stb. 1986, 568 (sedertdien
gewijzigd).
> , inhoudend dat "een eenmalige uitkering welke
beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die
beëindiging wordt betaald" niet als inkomen in verband met de arbeid wordt
beschouwd.
2.3.2. Deze klacht verliest uit het oog dat het er voor de toepassing
van de ABW niet om gaat of er sprake is van inkomsten uit arbeid, maar om
inkomsten die kunnen dienen als bestaansmiddelen.
2.4. Dat het, zoals het middel nog aanvoert, in de praktijk niet
ongebruikelijk is dat een ontbindingsvergoeding wordt gebruikt voor de
aankoop van een lijfrente of stamrecht, is reeds daarom zonder belang
omdat niet is vastgesteld of anderszins gebleken dat zulks in dit geval is
gebeurd.
De vergoeding is ook niet tot dit doel toegekend, maar - in de
woorden van de bestreden beschikking - "om het ná de beëindiging van het
dienstverband elders te ontvangen geringere inkomen - uit dienstverband of
uitkering - aan te vullen."
2.5. De opvatting van de rechtbank stemt overeen met een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep, die heeft beslist dat een door een werknemer
ontvangen vergoeding wegens ontbinding van diens arbeidsovereenkomst
"als inkomsten dient te worden beschouwd bestemd om te voorzien
noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding
van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt
dat deze vergoeding een andere bestemming heeft."<(9). CRvB 17 januari 1995, JABW 1995, 192, ook door de gemeente in haar verweerschrift
cassatie (nr. 8, p. 5) genoemd.
>
2.7. Het middel is vergeefs voorgesteld, zodat ik zal concluderen tot
verwerping van het beroep.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met compensatie van
kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.