ECLI:NL:PHR:2001:AB0028
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoening na scheiding van tafel en bed en gevolgen voor hypotheekrecht bank
De zaak betreft de vraag of een bank als hypotheekhouder het verhypothekeerde goed mocht executeren na het faillissement van de man, terwijl het goed op naam van de vrouw stond. De echtgenoten waren gescheiden van tafel en bed, maar de bank stelde dat zij zich hadden verzoend, waardoor de gemeenschap van goederen was herleefd.
De feiten tonen aan dat de echtgenoten na hun scheiding samen een lening zijn aangegaan, overlijdensrisicoverzekeringen op elkaars leven afsloten en samenwoonden. De rechtbank en het hof oordeelden dat op grond hiervan sprake was van verzoening, waardoor de gemeenschap van goederen herleefde en de bank haar hypotheekrecht mocht uitoefenen.
De Hoge Raad bevestigt dat verzoening vormvrij is en niet openbaar hoeft te worden gemaakt om rechtsgevolgen te hebben. De klachten dat de verzoening niet openbaar was en dat de echtgenoten niet de wil hadden tot verzoening worden verworpen. Ook het argument dat derden beschermd zijn zolang de verzoening niet openbaar is gemaakt, faalt omdat derden zich op de verzoening kunnen beroepen zodra zij daarvan kennis hebben.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de bank terecht de woning heeft geveild.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bank terecht het hypotheekrecht kon uitoefenen na verzoening van de echtgenoten.