(1) Betrekking hebbend op eenzelfde aantal aandelen C.
(2) Beroepen van de Staatssecretaris tegen uitspraken van het Hof van 19 mei 1999 nr. 98/2057 en nr. 98/2058. Het beroep in cassatie tegen de laatste uitspraak is vermeld in V-N 1999/35.2.3., blz. 3136.
(3) Zie het Gerechtshof te 's-Gravenhage, 29 februari 2000, nr. 97/20557, V-N 2000/39.13 blz. 3561, met een beroep op art. 3, lid 1 van het Besluit op de Dividendbelasting 1941 en de Memorie van toelichting inzake de Wet DB 1965 (Kamerstukken II, 1959-1960-6000, nr. 3, blz. blz. 27, lk): "(...) dividend (...) is ter beschikking gesteld in de zin van (art. 7, lid 3, Wet DB 1965), op het moment dat het in de beschikkingsmacht van de rechthebbende is gekomen. Ter beschikking stellen kan worden geacht te omvatten alle momenten die voor de heffing van de loon- en inkomstenbelasting genieten opleveren in de zin van respectievelijk de artikelen 27, lid 3 van de Wet op de loonbelasting 1964 en 33, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Een dividend dat is vastgesteld onder de bepaling dat het wordt uitgekeerd op een later moment aan de alsdan aanwezige aandeelhouders wordt (...) eerst op dat latere moment genoten (...) en ter beschikking gesteld. (...)." Vgl. ook P.J. Wattel, Dividendbelasting 2e dr. 1997, blz. 89.
(4) V-N 1994, blz. 2046 pt. 9; besproken door E.C.C.M Kemmeren, WFR 1995/6141, blz. 355; J. Vleggeert, WFR 1994/6106, blz. 815, en M.V. Lambooij en E.B. van der Stok, De naamloze vennootschap (De NV), 9 september 1994, blz. 217.
(5) V-N 1975, blz. 653, pt. 10; FED Vpb. '69: Art. 25: 1 m.nt. H.M.N. Schonis; WFR 1979/5264, blz. 287 m.nt. G. Telkamp, WPNR 1979/5485 m.nt. M.V.M. van Leeuwe.
(6) Vgl. ook de mededeling van de Staatssecretaris van 12 juni 1990, nr. DB 90/3221, V-N 1990, blz. 2823, pt. 21.
(7) Ook in het onderhavige geval ging het om CF-stukken, zie de uitspraak van het Hof, o. 5.3.2.
(8) In die zin ook Wattel, Dividendbelasting, blz.121: "Het lijkt immers in strijd met doel en strekking van de dividendbelasting en de verrekeningsregels in de eindheffingen dat dividendbelasting afgewassen wordt van Nederlandse dividenden die in feite (indirect) ten goede komen aan niet in Nederland belastingplichtige buitenlandse aandeelhouders."
(9) Dat vermoedens in dit verband niet voldoende zijn blijkt uit HR 20 december 1989, BNB 1990/70. In dat geval had een belanghebbende een koopsompolis verkocht aan A die op dat moment nog in Nederland woonde maar 8 dagen daarna emigreerde. Het hof had de stelling van de belanghebbende dat hij niet wist dat A zou verhuizen, gepasseerd omdat de emigratie volgens het hof objectief gezien waarschijnlijk was. De HR casseerde die uitspraak en benadrukte dat slechts van belang was, of de belanghebbende ervan op de hoogte was dat degene aan wie de polis werd vervreemd ten tijde van de overdracht voornemens was zich binnenkort in het buitenland te vestigen.
(10) Den Boer, Koopman en Wattel, Fiscaal commentaar, Algemeen belastingrecht, 1999, blz. 63/4.
(11) Fiscaal commentaar, blz. 75/6.
(12) Volgt verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 1999 in een van de in noot 2 genoemde parallel-zaken.
(13) In dezelfde zin Wattel, Dividendbelasting, blz. 122.
(14) Geciteerd in par. 4.4. van de conclusie van Van Soest voor HR 16 maart 1988, BNB 1988/231.
(15) Vgl. het geval, behandeld in HR 28 juni 1989, BNB 1990/45 na conclusie A-G Van Soest m.nt. J. Hoogendoorn, in welk arrest overigens niet werd gewerkt met een toedeling van motieven, maar de toepassing van fraus legis op een andere wijze werd gemotiveerd.
(16) Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, Stb. 216.
(17) Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001), Stb. 215.
(18) Deze drempel is opgenomen om regulier actief vermogensbeheer van een beperkte omvang niet onnodig te belemmeren: zie MvT, Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, blz. 286.
(19) MvT IW IB 2001, Kamerstukken II, vergaderjaar 1998-1999, 26 728, nr. 3 , blz. 57.
(20) Zie voor een uitgebreide behandeling van deze maatregelen tegen dividendstripping: A.R.T. Van IJlzinga Veenstra en Q.M.A. Eenhorst, WFR 2000/6375, blz. 271 e.v. en R.P.C.W.M. Brandsma, WFR 2000/6376, blz. 313 e.v. Zie ook H.P.A.M. van Arendonk, Ondernemingsrecht, 2000/10, blz. 278 e.v.
(21) 7.200.000 aandelen, zie o. 2.3.2. van het Hof.
(22) Zie par. 9.4.: 'Belanghebbende is bereid geweest aan dat doel (het ontgaan van de heffing van de dividendbelasting, v.d.B.) mee te werken. (Dat) brengt mee dat ook belanghebbendes eigen motief is gelegen in het ontgaan van de heffing van dividendbelasting.'