ECLI:NL:PHR:2001:AB0184

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/185HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 100 Wet ROArt. 32-40 WTBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onjuiste rechtsopvatting over redelijkheid en billijkheid in declaratiegeschil

Eiser had een advocaat (verweerder) in de arm genomen voor advies over een kort geding. Verweerder adviseerde eiser om de zaak te laten rusten en factureerde hiervoor een bedrag van f 705, vermeerderd met rente en kosten. Eiser betwistte dat er een overeenkomst van dienstverlening was en voerde aan dat verweerder tekort was geschoten in zijn verplichtingen.

De kantonrechter wees de vordering van verweerder toe, maar beperkte het bedrag op basis van redelijkheid en billijkheid omdat er geen specifieke afspraak over de kosten was gemaakt. Eiser kwam hiertegen in cassatie met het middel dat de kantonrechter onjuist had geoordeeld door de vordering op grond van redelijkheid en billijkheid toe te wijzen in plaats van verweerder niet-ontvankelijk te verklaren.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel een rechtsklacht bevat die niet tot cassatie leidt bij een kantonrechtervonnis en dat eiser bovendien niet heeft betwist dat hij de declaratie niet betwistte in omvang. Daarom is eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep en wordt hij veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep en veroordeeld in de kosten.

Conclusie

Nr. C 99/185 HR
Mr. Mok
Zitting 1 december 2000
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder] (niet verschenen)
Edelhoogachtbaar college,
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Verweerder in cassatie, [verweerder], is advocaat. Eiser van cassatie, [eiser], heeft hem in de arm genomen met het oog op het aanspannen van een (kort) geding. [Verweerder] heeft [eiser], bij brief van 3 maart 1998(1), geadviseerd de zaak te laten rusten.
1.2. [Verweerder] heeft [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter in Den Haag en betaling gevorderd van f 705 (f 600 + b.t.w.), in rekening gebracht bij declaratie van 3 maart 1998, met bijkomende rente en kosten.
1.3. [Eiser] heeft zich tegen deze vordering verweerd.
Primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er geen overeenkomst van dienstverlening had bestaan tussen hem en [verweerder], omdat hij niet om een advies had gevraagd.
Subsidiair heeft hij betoogd dat [verweerder] toerekenbaar tekort was gekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst.
1.4. Bij vonnis van 18 maart 1999 heeft de kantonrechter de vordering van [verweerder] tot een bedrag van f 470, te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 maart 1998 tot de dag der algehele voldoening, toegewezen.
Hij heeft overwogen dat het verweer van [eiser] geen hout snijdt. Daar er echter geen specifieke afspraak was gemaakt over het door [verweerder] uit te brengen advies en de hieraan verbonden kosten, achtte hij de vordering van [verweerder] niet onverkort toewijsbaar. Hij heeft daarom de hoogte van de vordering van [verweerder] bepaald aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid.
1.5. Van dit vonnis is [eiser] (tijdig) in cassatie gekomen. Hij heeft één cassatiemiddel doen aanvoeren.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
2.1. Het cassatiemiddel houdt in dat de kantonrechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de hoogte van de vordering van [verweerder] aan de hand van de redelijkheid en billijkheid te bepalen.
Na te hebben vastgesteld dat er niet een duidelijke afspraak was gemaakt over het door [verweerder] uit te brengen advies en de daaraan verbonden kosten, had de kantonrechter [verweerder] niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het middel.
2.2. Beroep in cassatie tegen een niet appellabel vonnis van een kantonrechter, zoals het onderhavige, is slechts mogelijk op één van de in art. 100 van Pro de Wet RO genoemde gronden. Rechtsklachten vallen niet onder deze wetsbepaling.
2.3. Het cassatiemiddel bevat alleen een rechtsklacht. Dit blijkt zowel uit de tekst als uit de strekking van het middel.
Na een algemene inleiding, begint de eigenlijke klacht van het middel immers met: "De kantonrechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ...". Voorts klaagt het middel dat de kantonrechter onjuiste (juridische) consequenties heeft getrokken uit het feit dat geen specifieke afspraak was gemaakt.
2.4. De schriftelijke toelichting(2) betoogt dat het middel klaagt over onbevoegdheid van de kantonrechter en overschrijding van diens rechtsmacht.
De kantonrechter zou zich ambtshalve onbevoegd hebben moeten verklaren, omdat de bijzondere procedure van art. 32-40 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ), de begrotingsprocedure, had moeten worden gevolgd.
2.5. Een betoog van deze strekking valt in het middel echter niet te lezen. Het middel concentreert zich op het feit dat er geen specifieke afspraak is gemaakt en op de juridische gevolgen daarvan. Het rept niet van een bijzondere rechtsgang.
Daarop loopt de onderhavige klacht al vast.
2.6. Bovendien heeft [eiser] in feitelijke aanleg uitdrukkelijk ontkend dat er een overeenkomst tussen [verweerder] en hem bestond. Hij zou uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt géén advies te wensen(3).
Hij heeft voorts(4) uitdrukkelijk gesteld dat hij niet de hoogte of de omvang van de declaratie betwist. In een dergelijk geval zijn de artt. 32-40 WTBZ niet van toepassing(5).
2.7. Aangezien het cassatiemiddel niet voldoet aan de eisen van art. 100 Wet Pro RO, is [eiser] niet ontvankelijk in zijn beroep.
3. CONCLUSIE
De conclusie luidt tot niet-ontvankelijk verklaring van eiser in zijn beroep met veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Prod. 1 bij c.v.r.
2. Gegeven door een andere advocaat dan die welke het cassatiemiddel heeft opgesteld.
3. C.v.a., p. 1 (e.v.).
4. C.v.d., onder 7e, p. 3. Vgl. ook de brief van [betrokkene A] aan [eiser] van 6 augustus 1998 (prod. bij c.v.a. en prod. 4 bij c.v.r.), alsmede het antwoord van [eiser] van 22 augustus 1998 (prod. bij c.v.a. en prod. 3 bij c.v.r.).
5. HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt. H.E. Ras en HR 20 september 1996, NJ 1997, 640, m.nt. S.C.J.J. Kortmann.