ECLI:NL:PHR:2001:AB0185
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van uitsluiting van kiesrecht voor uitlandige ingezetenen Nederlandse Antillen
In deze zaak hebben eisers, waaronder een groep Antilliaanse Nederlanders die buiten de Nederlandse Antillen wonen, betoogd dat hun uitsluiting van het actieve kiesrecht voor de Statenverkiezingen in strijd is met internationale verdragen zoals het EVRM en het IVBPR. Zij stelden dat deze beperking een onaanvaardbare discriminatie inhoudt en niet proportioneel is.
De zaak werd in eerste aanleg en in hoger beroep afgewezen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het vereiste van ingezetenschap een legitiem doel dient en binnen de beleidsvrijheid (margin of appreciation) van de verdragslanden valt. De Nederlandse Antillen hebben het zelfbeschikkingsrecht om beperkingen aan het kiesrecht te stellen, waaronder het criterium van ingezetenschap.
De Hoge Raad wijst erop dat ook in Nederland zelf het kiesrecht voor bepaalde verkiezingen aan ingezetenschap is gebonden en dat het niet toekennen van stemrecht aan uitlandige Antilliaanse Nederlanders een spiegelbeeldige situatie is van het Nederlandse systeem. De klacht dat deze regeling in strijd is met het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen. Het beroep wordt afgewezen en de eisers worden in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitsluiting van het actieve kiesrecht voor uitlandige Antilliaanse Nederlanders.