ECLI:NL:PHR:2001:AB0200

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/277HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 RvArt. 429sexies WvS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep cassatie wegens onvoldoende motivering middel

In deze zaak is een cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in kort geding. Het hof had geoordeeld dat artikel 429sexies van het Wetboek van Strafrecht ook van toepassing is op een gebouw zonder woonfunctie. Het cassatiemiddel betoogde dat het hof dit ten onrechte had overwogen, maar gaf geen concrete motivering waarom dit onjuist zou zijn.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet voldoet aan de eisen van artikel 407, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat vereist dat in het middel zelf duidelijk moet zijn wat de eiser de rechter verwijt. Het feit dat in de schriftelijke toelichting en conclusie van repliek wel gronden worden vermeld, maakt dit niet anders.

De Hoge Raad wijst het beroep daarom niet-ontvankelijk en veroordeelt de eiser in de kosten. Een inhoudelijke beoordeling van de interpretatie van artikel 429sexies WvS laat de Hoge Raad achterwege, omdat dit primair een strafrechtelijke vraag betreft en het niet passend is om dit obiter dictum in een civiele zaak te behandelen.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende gemotiveerd middel.

Conclusie

Nr. C 99/277 HR Mr. Mok
Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake
A.M. BORSTEN
tegen
DE STAAT (Ministerie van
Justitie)
Edelhoogachtbaar college,
Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in
kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat
arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank
(eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art.
429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen
woonfunctie heeft.
Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks
ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten
onrechte zou zijn. Aldus voldoet het middel niet aan de in art.
407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in
zijn beroep kan worden ontvangen<(1). Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3).
> . Dat de schriftelijke toelichting
en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel
gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders.
In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de
rechter a quo verwijt<(2). Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632..
> .
De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de
Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de
uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan
onzekerheid daarover zou maken. Ik voel daarvoor echter niet. Ten
eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv Pro uitgehold zou
worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag
primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand
ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn
beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.