AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over mogelijkheid tot verzoeken tot nevenvoorzieningen in hoger beroep bij echtscheiding
De zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen partijen die in 1981 in Marokko zijn gehuwd en zes kinderen hebben. De rechtbank Utrecht sprak op 4 augustus 1999 de echtscheiding uit en bepaalde dat de moeder huurster zou zijn van de echtelijke woning. De moeder kwam in hoger beroep bij het hof Amsterdam met verzoeken tot het toewijzen van het ouderlijk gezag, het vaststellen van kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Het hof verklaarde zowel de moeder als de vader niet-ontvankelijk in hun hoger beroep, omdat het hof oordeelde dat verzoeken tot nevenvoorzieningen niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan. De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing met het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoeken tot nevenvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 827 RvPro ook in hoger beroep kunnen worden gedaan, ook voor het eerst. Het hof had hiermee de wet- en regelgeving en de wetsgeschiedenis onjuist toegepast. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat verzoeken tot nevenvoorzieningen ook voor het eerst in hoger beroep kunnen worden gedaan.
Conclusie
Nr. R 00/069 mr. Wesseling-van Gent
Parket, 22 december 2000 Conclusie inzake:
Touil
tegen
M. Fizazi
Edelhoogachtbaar College,
1 Feiten en procesverloop
1.1 Verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie,
de vader, zijn in 1981 te Marokko met elkaar gehuwd. Uit dit
huwelijk zijn zes kinderen geboren.
1.2 Bij beschikking van 4 augustus 1999 heeft de rechtbank te
Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft
zij beslist dat de moeder huurster zal zijn van de echtelijke
woning. De moeder is in eerste aanleg niet verschenen.
1.3 Van voornoemde beschikking is de moeder in hoger beroep gekomen
bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft het hof verzocht
haar te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige
kinderen van partijen, de bijdrage in de kosten van opvoeding en
verzorging van de minderjarige kinderen van partijen te bepalen op
ƒ 250,- per kind per maand, alsmede de verdeling van de tussen
partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen. De vader heeft
een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel appel
ingesteld. De moeder heeft een verweerschrift ingediend in het
incidenteel appel.
1.4 Het hof heeft bij beschikking van 17 april 2000 zowel de moeder
als de vader niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Tegen
deze beschikking heeft de moeder tijdig cassatieberoep ingesteld.
Het cassatiemidel bevat één klacht. De vader heeft geen
verweerschrift ingediend.
2 Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het hof heeft in rechtsoverweging 2.1.2 als volgt overwogen:
"Het thans in appèl door de moeder gedane verzoek strekt er niet toe
een uitspraak van de appèlrechter te verkrijgen omtrent een punt dat
aan de rechter in eerste aanleg voorgelegd was en waarover deze zich
heeft uitgesproken. Het in appèl gedane verzoek van de moeder dient
dan ook te worden aangemerkt als een zelfstandig verzoek in de zin
van artikel 429h, vierde lid, Rv, welke mogelijkheid niet voor het
eerst in hoger beroep openstaat. Ten aanzien van dit voor het eerst
in appèl gedane verzoek van de moeder geldt dat artikel 429h, vierde
lid, Rv, dat de mogelijkheid biedt om in een rekestprocedure bij
verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig tegenverzoek te
doen, niet van overeenkomstige toepassing is op het geding in hoger