<
>
Rek. nr. R00/078
Parket 22 december 2000
Conclusie mr Spier
inzake
1. Chr.A. Pepplinkhuizen
2. A. van Laar
(hierna: Pepplinkhuizen en Van Laar)
tegen
De gemeente Wageningen
(hierna: de gemeente)
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten
1.1 In cassatie kan van de feiten worden uitgegaan zoals deze
in de beschikking van de Rechtbank Arnhem onder 2.1 tot en met
2.6 zijn vastgesteld.
1.2 De gemeente heeft aan Pepplinkhuizen in de periode van 1
oktober 1985 tot 22 januari 1997 bijstand verstrekt in de
algemeen noodzakelijke kosten van bestaan naar de norm van een
één-oudergezin, een en ander ingevolge de Rijksgroepsregeling
Werkloze Werknemers (RWW) die steunt op de Algemene Bijstands
wet (ABW).
1.3 De Sociale Recherche van de gemeente heeft begin 1997 een
onderzoek ingesteld om na te gaan of Pepplinkhuizen buiten
Wageningen een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van
Laar. Pepplinkhuizen en Van Laar zijn in het kader van dit
onderzoek gehoord, evenals de dochter van Pepplinkhuizen. Op
10 februari 1997 heeft de Sociale Recherche over het verrichte
onderzoek rapport uitgebracht.
<
>
1.4 De gemeente heeft bij beschikking van 27 februari 1997 de
uitkering aan Pepplinkhuizen beëindigd per 22 januari 1997 en
vervolgens bij beschikking van 27 maart 1997 de uitkering over
de periode van 1 juli 1991 tot 22 januari 1997 herzien. Af
schriften van deze beschikkingen zijn verzonden aan Van Laar.
De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (verzonden
op 8 april 1997) een bedrag van fl. 74.478,41 over de periode
van 1 mei 1992 tot en met 31 december 1996 van Pepplinkhuizen
teruggevorderd op grond van artikel 57, aanhef en sub a/d ABW
(oud) en artikel 81, eerste lid ABW.
1.5 De gemeente heeft bij beschikking van 4 april 1997 (ver
zonden op 8 april 1997) een bedrag van fl. 70.221,17 over de
periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1996 van
Van Laar teruggevorderd op grond van artikel 59a, tweede lid
ABW (oud) aanhef en artikel 84, tweede lid ABW.
1.6 Pepplinkhuizen heeft tegen de beschikkingen van 27 februa
ri 1997 en 27 maart 1997 bezwaar aangetekend. Burgermeester en
wethouders van de Gemeente hebben in de vergadering van 5
augustus 1997 de beschikkingen gewijzigd met betrekking tot de
gronden voor de beëindiging, respectievelijk herziening van de
uitkering en de bezwaarschriften voor het overige ongegrond
verklaard. Dit besluit is op 12 augustus 1997 aan Pepplinkhui
zen verzonden.
1.7 Pepplinkhuizen is van dit besluit in beroep gekomen. Dit
beroep heeft zij vervolgens ingetrokken.
2. Procesverloop
2.1 De gemeente heeft in deze zaak de Kantonrechter te Wage
ningen verzocht te bepalen dat zij van Pepplinkhuizen een
bedrag van fl. 74.478,41 kan invorderen terzake van ten on
rechte verstrekte bijstand. Voorts heeft de gemeente de Kan
tonrechter verzocht te bepalen dat zij een bedrag van fl.
70.221,17 mede kan terugvorderen van Van Laar, die daarvoor
hoofdelijk aansprakelijk is.
2.2.1 De gemeente heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd
dat zij Pepplinkhuizen over de periode van 1 oktober 1985 tot
22 januari 1997 bijstand heeft verleend op grond van door haar
verstrekte onjuiste en/of onvolledige inlichtingen. De gemeen
te heeft in dit verband aangevoerd dat Pepplinkhuizen in die
periode voldoende middelen van bestaan had doordat zij in
Ochten een gemeenschappelijke huishouding voerde met Van Laar,
die inkomsten had uit een dienstbetrekking uitgaande boven de
voor een gezin geldende bijstandsnorm.
2.2.2 In het door de gemeente in geding gebrachte rapport is
onder meer te lezen dat Pepplinkhuizen heeft verklaard 7 dagen
en vier nachten per week te verblijven op bedoeld adres in
Ochten. Aangehecht is een p.v. waarin Van Laar verklaart dat
Pepplinkhuizen in (ongeveer) 1991/1992 "permanent bij mij
verbleef". Pepplinkhuizen heeft, blijkens het p.v., verklaard
in de zomer van 1991 permanent bij Van Laar te zijn gaan
wonen.
2.3 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben geen verweerschrift
ingediend. Bij de mondelinge behandeling in prima hebben zij,
naar blijkt uit de beschikking van de Kantonrechter Wagenin
gen, als verweer aangevoerd dat zij in de bewuste periode niet
met elkaar hebben samengewoond maar dat Pepplinkhuizen slechts
af en toe bij Van Laar verbleef. Zij hebben voorts de juist
heid van het door de gemeente overgelegde rapport van de
sociaal rechercheur betwist. Pepplinkhuizen heeft in dat
verband gesteld dat zij slechts de bladzijde van haar verkla
ring heeft gezien die zij heeft ondertekend en Van Laar dat
hij niet in staat was zijn verklaring na te lezen omdat hij
zijn bril niet bij zich had.
2.4 De Kantonrechter heeft het verzoek van de gemeente in zijn
beschikking van 26 augustus 1999 toegewezen. Hij heeft daartoe
overwogen dat - ondanks de (summier) gemotiveerde betwisting
van de vordering door Pepplinkhuizen en Van Laar - uit de door
de gemeente overgelegde producties genoegzaam blijkt dat zij
in de bewuste periode een gemeenschappelijke huishouding (in
Ochten) hebben gevoerd.
2.5 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben van de beschikking van
de Kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het zich in het
dossier bevindende appèlschrift is niet ondertekend; navraag
bij de griffie van de Rechtbank wijst uit dat het griffie-
exemplaar wél getekend is. De grieven richten zich tegen
bovenstaande overweging van de Kantonrechter. Pepplinkhuizen
heeft aangevoerd dat zij om nader uitgewerkte redenen "regel
matig elders haar toevlucht moest nemen", zulks "meestentijds
in een achter de woning geplaatste caravan". Aan het p.v. zou
geen waarde kunnen worden gehecht omdat appellanten door de
rechercheurs onder druk zouden zijn gezet. Van Laar voert nog
aan dat Pepplinkhuizen slechts "af en toe" bij hem verbleef.
Hij is door het Hof Arnhem vrijgesproken.
2.6 De gemeente heeft zich beroepen op de formele rechtskracht
van het besluit op het door Pepplinkhuizen ingediende bezwaar
schrift. Zij wijst er voorts op dat Pepplinkhuizen strafrech
telijk is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte
(verweerschrift blz. 3) en dat zij het p.v. per pagina afzon
derlijk heeft ondertekend (pleitnotitie mr Van der Hoeven).
2.7 De Rechtbank te Arnhem heeft in haar beschikking van 13
april 2000 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
"3. Nu Pepplinkhuizen tegen de aan haar
gerichte beschikkingen van 27 februari en 27 maart
1997
weliswaar bezwaar heeft aangetekend, maar
vervolgens haar beroep tegen de op het bezwaar
gegeven beslissing van de Gemeente van 5 augustus
1997 heeft ingetrokken, en aldus niet ten volle
gebruik heeft gemaakt van de voor haar openstaande
met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke
rechtsgang, moeten deze beschikkingen in beginsel
zowel wat betreft hun inhoud als hun wijze van
totstandkomen als rechtmatig worden beschouwd
(beginsel van formele rechtskracht van de
beschikking).
4. Vast staat dat afschriften van de
beschikkingen van 27 februari en 27 maart 1997 zijn
verzonden aan Van Laar, die door de Gemeente wordt
aangemerkt als derde-belanghebbende. Van Laar heeft
tegen deze beschikkingen geen bezwaar aangetekend,
en aldus geen gebruik gemaakt van de ook voor hem
openstaande met voldoende waarborgen omklede
bestuurlijke
rechtsgang. Ook ten aanzien van hem moeten deze
beschikkingen derhalve in beginsel zowel wat betreft
hun inhoud als hun wijze van totstandkomen als
rechtmatig worden beschouwd.
5. Van de zijde van Pepplinkhuizen en Van Laar
zijn geen zwaarwegende argumenten naar voren
gebracht die ertoe zouden kunnen leiden van het
onder 3. en 4. weergegeven beginsel af te wijken.
(...)
6. De grieven kunnen dan ook niet tot
vernietiging van de beschikking van de kantonrechter
leiden."
2.8 Pepplinkhuizen en Van Laar hebben tijdig cassatieberoep
ingesteld. De gemeente is bij brief van de Griffier van de
Hoge Raad een copie van het verzoekschrift toegezonden met de
mededeling dat dit "namens Chr. Pepplinkhuizen" is ingesteld
en dat de Gemeente verweer kan voeren. Hoewel de aanduiding
van de partijen die beroep in cassatie hebben ingesteld onvol
ledig is (ook Van Laar heeft cassatieberoep ingesteld) moet de
Gemeente zulks uit het haar toegezonden verzoekschrift hebben
kunnen afleiden. Te allen overvloede heb ik dit bij de Gemeen
te laten verifiëren; de voor de hand liggende veronderstelling
is door dat telefoongesprek bevestigd. De gemeente is in cassa
tie niet verschenen.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen. Het eerste
onderdeel klaagt erover dat de Rechtbank heeft miskend dat aan
het verzoek tot terugvordering van de gemeente de terugvorde
ringsbesluiten van 4 april 1997 ten grondslag liggen en niet
het beëindigingsbesluit van 27 februari 1997 en het intrek
kingsbesluit van 27 maart 1997.
3.2 Het onderdeel is gegrond. Bedoelde brieven behelzen inder
daad geen beslissing over de terugvordering. Integendeel: in
de brief van 27 februari 1997 is te lezen dat "indien" zal
worden overgegaan tot terugvordering daaromtrent nader zal
worden bericht. De brief van 27 maart 1997 behelst hetzelfde
met weglating van "indien"; wel wordt het volgende voorbehoud
gemaakt: "voorzover de Algemene bijstandswet in terugvorde
ringsmogelijkheden voorziet".
3.3 De onderdelen 2 en 3 veronderstellen dat de Rechtbank mede
het oog heeft gehad op de brief van 4 april. De onderdelen
missen feitelijke grondslag. Immers blijkt uit niets dat de
Rechtbank haar beschikking mede op (het niet opkomen tegen)
deze brief heeft gebaseerd.
3.4 Ten overvloede: de procedure inzake terugvordering/verhaal
(hierna: terugvordering) van verleende bijstand was tot 1 juli
1997 ondergebracht bij de burgerlijke rechter. Indien een
betrokkene niet vrijwillig tot betaling overging, diende de
gemeente zich te wenden tot de Kantonrechter. Vervolgens
bestond de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie.<(1) Losbladige ABW/Verhaal, I (Algemeen) 1-1 tot en
met 3 en 23 en ABW/Verhaal IV, aant. bij art. X
(overgangsbepalingen).> Dat
brengt mee dat van formele rechtskracht van de besluiten tot
terugvordering geen sprake kan zijn. Zie voorts HR 18 april
1997, NJ 1997, 499 en HR 7 april 2000, NJ 2000, 378.
3.5 Onderdeel 4 klaagt erover dat de besluiten tot intrekking
en beëindiging van de uitkering van Pepplinkhuizen hoe dan ook
geen formele rechtskracht van het ten opzichte van Van Laar
genomen terugvorderingsbesluit kunnen meebrengen. Dit terug
vorderingsbesluit is immers gebaseerd op de artt. 59a, tweede
lid (oud) ABW en 84, tweede lid (oud) Abw, welke bepalingen
geen voorwerp van toets kunnen hebben gevormd in de bezwaar-
(en eventueel beroeps) procedure naar aanleiding van het
intrekkings- en beëindigingsbesluit.
3.6 Ook deze klacht snijdt hout op de daarin ontwikkelde
grond. Het lijkt mij duidelijk dat Van Laar zich niet met
vrucht had kunnen keren tegen beëindiging van een bijstands
uitkering aan Peppinkhuizen. Reeds daarom gaat de redenering
van de Rechtbank te zijnen aanzien niet op.
3.7 Of ten aanzien van Van Laar is voldaan aan de voorwaarden
van bedoelde artikelen kan thans blijven rusten.
4. Is verwijzing noodzakelijk in de zaak van Pepplinkhuizen?
4.1 Ik heb mij nog de vraag gesteld of verwijzing noodzakelijk
is in de zaak tussen de gemeente en Pepplinkhuizen. Pepplink
huizen heeft in appèl betoogd dat zij niet samenwoonde met Van
Laar en dat zij slechts "af en toe" bij hem verbleef. Zij
heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.
4.2 Om de navolgende redenen verdient haar relaas m.i. geen
geloof:
a. zij heeft de door haar betwiste verklaring op elke pagina
ondertekend; dat - zoals zij bij de Kantonrechter heeft aange
dragen - zij slechts één pagina heeft gezien, is dus niet
juist.
b. deze verklaring wordt onder meer ondersteund door die van
Van Laar;
c. zij is strafrechtelijk veroordeeld, naar de gemeente on
weersproken heeft aangevoerd;
d. volgens het beroepschrift verbleef ze "regelmatig" in de
woning in Wageningen. Zij zou "meestentijds in een achter
woning" - kennelijk: van Van Laar - staande caravan hebben
vertoefd;
e. de op het politiebureau afgelegde verklaringen zijn zo
gedetailleerd dat reeds daarom nogal onwaarschijnlijk is dat
ze geheel door de verbalisanten zijn verzonnen; evenmin is
plausibel dat de door Pepplinkhuizen genoemde druk een verkla
ring is voor zo gedetailleerde verklaringen;
f. bij de mondelinge behandeling is door de Rechtbank gevraagd
hoe vaak zij in Ochten zat; daarop antwoordde Pepplinkhuizen,
blijkens het p.v.: "(...) dat was vaak zat".<(2) De geciteerde passage geeft m.i. de kern van het
antwoord weer. Hoewel het niet glashelder is, zie ik
niet hoe het anders zou kunnen worden gelezen.>
4.3 Tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.2 is vermeld kon
Pepplinkhuizen m.i. niet volstaan met een in algemene termen
gesteld bewijsaanbod.
4.4 Nu na verwijzing uitsluitend de onder 2.5 en 4.1 bedoelde
kwestie aan de orde zou komen en de verwijzingsrechter m.i.
tot geen andere slotsom kan komen dan dat de grief van Pep
plinkhuizen faalt, mist zij belang bij haar cassatieberoep.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik
king voorzover gewezen tussen Van Laar en de gemeente;
tot verwerping van het beroep voorzover ingesteld door Pep
plinkhuizen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal