ECLI:NL:PHR:2001:AB0241

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1300
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 OwArt. 77 lid 1 onder 1º OwArt. 53 lid 1 OwArt. 101a Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naleving artikel 17 Onteigeningswet bij onteigeningsprocedure gemeente Amsterdam

Groenpol B.V. is erfpachter van een perceel dat door de gemeente Amsterdam onteigend werd voor de uitvoering van een bestemmingsplan. De gemeente dagvaardde Groenpol voor vervroegde onteigening, welke Groenpol bestreed met het verweer dat de gemeente onvoldoende had geprobeerd het perceel in der minne te verkrijgen, een vereiste volgens artikel 17 van Pro de Onteigeningswet.

De rechtbank stelde vast dat tussen partijen meerdere onderhandelingen hadden plaatsgevonden na het definitief worden van het onteigeningsbesluit, waaronder schriftelijke biedingen en gesprekken. De rechtbank concludeerde dat de gemeente serieus had gepoogd tot een minnelijke overeenkomst te komen.

Groenpol stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat aan artikel 17 was Pro voldaan. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat de motivering niet tekort schoot. De conclusie was dat het beroep ongegrond is en verworpen kan worden.

Daarnaast wees de A-G op een niet-fataal vormverzuim in de dagvaarding, dat echter geen gevolgen had omdat de gedaagde was verschenen en geen nadeel had gesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Groenpol wordt verworpen; de gemeente heeft voldoende geprobeerd het perceel bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Conclusie

Nr. 1300
Mr. Ilsink
Derde Kamer B
Onteigening
Zitting, 18 oktober 2000
Conclusie inzake:
Groenpol B.V.
tegen
de gemeente Amsterdam
Edelhoogachtbaar College,
1. Procesverloop
1.1. Eiseres tot cassatie (hierna: Groenpol) is erfpachter van het in eigendom aan de gemeente Amsterdam toebehorende perceel, kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie K, nummer 6146, waarvan een gedeelte, ter grootte van 4 are en 35 centiare, bij KB van 4 maart 1998, nr. 98.001130, Stcrt. 1998, 61, op grond van Titel IV (art. 77, lid 1, onder 1º) van de Onteigeningswet (Ow) ter onteigening is aangewezen ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Ontsluiting Bedrijventerrein Buiksloterham/Papaverweg.
1.2. Bij exploit van 1 maart 2000 heeft de gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) zichzelf en Groenpol doen dagvaarden voor de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) en onder meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1. bedoelde perceel.
1.3. Groenpol heeft de vordering tot (vervroegde) onteigening bestreden met het verweer dat de Gemeente niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge art. 17 Ow Pro om te proberen het te onteigenen perceel bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.
1.4. Bij vonnis van 3 mei 2000, rolnr. C1.0696, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor Groenpol vastgesteld op ƒ 990.000. Dit is 90 percent van het door de gemeente op 23 maart 2000, derhalve na het uitbrengen van de dagvaarding, gedane aanbod. In de dagvaarding is een bedrag van ƒ 648.657 aangeboden. Voorts heeft de rechtbank drie deskundigen benoemd ter begroting van onder meer de door Groenpol als gevolg van de onteigening te lijden schade.
1.5. Tegen dit vonnis heeft Groenpol beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel. (1)
1.6. Ter zitting van 14 juni 2000 heeft de Gemeente geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.7. Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 14 juli 2000 schriftelijk doen toelichten.
2. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft vooropgesteld dat moet komen vast te staan dat de Gemeente serieus heeft gepoogd de eigendom in der minne te verwerven. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen:
(...) dat partijen in april 1999 - derhalve na de datum van het KB houdende goedkeuring van het onteigeningsbesluit - tweemaal overleg hebben gevoerd, waarna op 30 juni 1999 andermaal een bespreking heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft de gemeente bij brief van 5 augustus 1999 een gespecificeerde bieding van ƒ 835.945,- gedaan, waarna zij nog een mondelinge toelichting heeft gegeven aan de vastgoedadviseur van Groenpol en nog enkele telefonische besprekingen hebben plaatsgevonden. Groenpol heeft bij brief van 15 november 1999 op de bieding gereageerd, waarbij zij een tegenvoorstel (ƒ 1.310.180,-) heeft gedaan. Dit tegenvoorstel is door de gemeente kennelijk niet aanvaard, waarna zij - bij dagvaarding- een bedrag van ƒ 648.657,- heeft geboden.
Uit deze gang van zaken heeft de rechtbank afgeleid dat tussen de partijen serieus is onderhandeld.
3. Het middel
Het middel klaagt dat de rechtbank miskent dat uit de weergave van de gang van zaken (zoals hiervoor weergegeven) kan worden afgeleid dat tussen partijen serieus is onderhandeld in de zin van art. 17 Ow Pro.
4. Beoordeling van het middel
4.1. HR 8 april 1998, NJ 1999, 24, overwoog in rov. 3.5:
Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...).
4.2. Bezien in dit licht en gelet op de door de rechtbank weergegeven gang van zaken, welke in cassatie overigens niet wordt betwist, meen ik dat het oordeel van de rechtbank dat - kort gezegd - het bepaalde in art. 17 Ow Pro te dezen is nageleefd, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; evenmin schiet de motivering ervan tekort. Het beroep kan naar het mij voorkomt op de voet van art. 101a Wet RO worden verworpen.
5. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor de goede orde wijs ik erop dat de cassatiedagvaarding een (niet fataal) gebrek vertoont. Er is niet gedagvaard tegen de ingevolge art. 53, eerste lid, Ow bepaalde termijn van de eerste terechtzitting welke na afloop van twee weken na de betekening plaatsvindt, maar één week eerder. Dit (vorm)verzuim heeft echter geen gevolgen, nu gedaagde is verschenen en niet heeft gesteld in zijn verdediging te zijn geschaad.