ECLI:NL:PHR:2001:AB0381

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/278HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 100 Wet ROArt. 194 RvArt. 178 lid 2 RvArt. 193 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep tegen schadevergoeding voor vernieling auto

Eiser werd door de kantonrechter veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van f 1.438 wegens het beschadigen van de auto van verweerder door daarop te slaan met een stuk hout. Eiser stelde in cassatie dat het vonnis niet de juiste gronden bevatte en dat hij onterecht niet in de gelegenheid was gesteld tegenbewijs te leveren.

De Hoge Raad overwoog dat de motiveringsklachten feitelijk rechtsklachten zijn die op grond van art. 100 Wet Pro RO niet tot cassatie kunnen leiden. Ook als de klachten als zelfstandige motiveringsklachten worden beschouwd, kunnen deze niet worden beoordeeld zonder de rechtsopvattingen van de kantonrechter te betrekken, waardoor het middel niet kan slagen.

De conclusie van de procureur-generaal was dat het beroep dient te worden verworpen en dat eiser in de kosten wordt veroordeeld. De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten.

Conclusie

Mr. Mok
Nr. C 99/278
Zitting 15 december 2000
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar college,
1. Verweerder in cassatie, [verweerder], heeft [eiser], eiser van cassatie, gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, omdat [eiser] schade had veroorzaakt aan de auto van [verweerder] (door daarop te slaan met een stuk hout).
Bij vonnis van 18 maart 1999 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot een schadevergoeding van f 1.438, vermeerderd met kosten.
2. Tegen dat vonnis heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel dat klaagt dat het vonnis niet de gronden inhoudt waarop het berust en dat de kanton rechter de beslissing tot sluiting van de enquête onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
Dat zou daarom het geval zijn omdat de kantonrechter [eiser] op onjuiste gronden niet in de gelegenheid heeft gesteld tegenbewijs te leveren.
3. In de cassatiedagvaarding heeft [eiser] nader uiteengezet dat het vonnis van de kanton rechter in strijd is met art. 194 en Pro art. 178, lid 2, Rv.
Ook zou de kantonrechter in strijd hebben gehandeld met een regel van ongeschreven recht, inhoudend dat in kantongerechtsprocedures waarin geen hoger beroep openstaat en partij en in persoon procederen, uit de enkele afwezigheid tijdens een op verzoek van de weder partij plaats vindend getuigenverhoor, zonder dat toepassing is gegeven aan art. 193 Rv Pro, niet de conclusie mag worden getrokken dat deze partij afstand doet van het leveren van tegenbewijs.
4. De onder 3 genoemde redengeving maakt duidelijk dat in het middel geformuleerde motiveringsklachten niet veel meer dan een verpakking van rechtsklachten vormen. Rechtsklachten kunnen echter op grond van art. 100 van Pro de Wet RO in een procedure als deze niet tot cassatie leiden.
Ook als men de motiveringsklachten als zelfstandige klachten beschouwt, kunnen deze toch niet beoordeeld worden zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen waarvan de kanton rechter is uitgegaan te betrekken. Daaruit volgt dat het middel niet kan slagen(1).
5. Neemt men aan dat het middel slechts verborgen rechtsklachten bevat, dan moet eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep worden verklaard.
Gaat men er van uit dat het middel motiveringsklachten bevat, die echter niet zonder beoordeling van de rechtsopvattingen waarop het bestreden vonnis steunt, kunnen worden beoordeeld, dan is het resultaat verwerping van het beroep. In die laatste zin zal ik concluderen.
6. Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, 1989, nr. 124, p. 239 en i.h.b. de aldaar in noot 5 genoemde rechtspraak; recent in die zin: HR 26 mei 2000, JOL 2000, 318.