1. Deze vennootschap was toen nog een n.v. Volgens de concl. tussenk. partij tevens houdende verzoek tot schorsing van de procedure d.d. 17 november 1994, nr. 7, p. 4, heeft de omzetting plaatsgevonden op 31 januari 1973. Vgl. c.v.a. tevens houdende verzet tegen een verzoek tot schorsing, van VWB d.d. 12 januari 1995, nr. 6, p. 3. De m.v.d. namens [eiser] d.d. 8 februari 1996 noemt, in nr. 2, p. 2, als datum van omzetting 30 januari 1973.
2. Prod. 1 bij de c.v.a. in het incident tot tussenkomst, subsidiair tot voeging d.d. 1 februari 1990.
3. Prod. 2 bij de c.v.a. in het incident tot tussenkomst, subsidiair tot voeging d.d. 1 februari 1990.
4. Blijkens de akte uitlating deskundigenrapport van [eiser] d.d. 28 mei 1998, nr. 3, p. 2, en prod. 1 en 2, heeft dit gerecht de akte van scheiding en deling vernietigd, en is vader [..] van dit vonnis in hoger beroep gekomen. (Vgl. antwoordakte uitlating deskundigenrapport van [verweerster 2] d.d. 2 juli 1998, nrs. 4-10, p. 2-4.) Hij is in dit hoger beroep "onontvankelijk" verklaard; vgl. akte/antwoord-akte van [eiser] d.d. 21 januari 1999, nr. 1, p. 1, en prod. 1.
5. Op 6 maart 1984; vgl. de incid. concl. tot tussenk. subs. tot voeging, d.d. 16 november 1989, nr. 1, p. 2. Aldaar staat ook dat de toestemming tot het beslag is betekend aan vader [..] en de vennootschap. Volgens de m.v.a. van [eiser] d.d. 8 juni 1995, nr. 3, p. 5, is dit geschied op 9 maart 1984. Het beslag is verschillende keren verlengd; vgl. inc. concl. tot tussenk. d.d. 2 juli 1992, nr. 1, p. 2, het arrest van de OK van 4 februari 1993, ro. 2.2, p. 3 en de m.v.a. van [eiser] d.d. 8 juni 1995, nr. 3, p. 5.
6. Zie prod. 5 bij de m.v.r. van VWB inzake [eiser] d.d. 26 oktober 1995.
7. Het vonnis van de rechtbank in Breda is (o.m.) overgelegd als prod. 4 bij de m.v.r. van VWB inzake [eiser] d.d. 26 oktober 1995.
8. De OK schrijft hier 5.590.6000; ik beschouw dit als een kennelijke verschrijving.
9. Arrest van 28 juni 1990, NJ 1990, 756.
10. Bij arrest van 24 april 1991, NJ 1992, 190 m.nt. H.J.Snijders.
11. Arrest van 4 februari 1993, NJ 1993, 387 en De NV 1993, p. 104-105.
12. Bij arrest van 16 februari 1994 NJ 1994, 485, m.nt. J.M.M.Maeijer.
13. In de procedure tegen de certificaathouders heeft VWB gevorderd dat dezen zouden gehengen en gedogen dat de overdracht van de aandelen waarvoor de door hen gehouden certificaten zijn uitgegeven, zou worden geëffectueerd. De inl. dagv. in deze procedure is overgelegd als prod. 1 bij de m.v.r. van VWB inzake [verweerster 2] d.d. 26 oktober 1995.
14. HR 22 september 2000, NJ 2000, 632 en de c.p.g. (Wesseling-Van Gent), § 2.5.
15. De s.t. van de advocaat van VWB (§ 3.1., p. 8) verdedigt zulks overigens voor middel II en ook die stelling is pleitbaar.
16. Vgl. de in noot 14 genoemde conclusie van mijn collega, NJ p. 4396 rk. onderaan/p. 4397 lk. bovenaan.
17. Bij wet van 16 juni 1988, Stb. 305 is het eerste lid gewijzigd in: "Een besluit van de algemene vergadering van een rechtspersoon kan door een rechterlijk vonnis worden vernietigd:"
18. Behandeling van wetsvoorstel 18 904, Handelingen I, 1 maart 1988, p. 16-500, mk.
19. Zaak 4189/88, leidend tot vonnis rb. Breda van 30 januari 1990 en arrest gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 juli 1991, prod. 5 bij c.v.a. in het inc. tot tussenk.
20. Ro. 7.2 van het arrest van 22 augustus 1996.
21. Ro. 7.3 van het arrest van 22 augustus 1996 en ro. 3.5.1 van het arrest van 28 oktober 1999.
22. Concl. tussenk. tevens verz. t. partij schorsing d.d. 17 november 1994; M.v.a. d.d. 8 juni 1995, i.h.b. nr. 4, p. 8-9; m.v.d. [eiser] d.d. 8 februari 1996, i.h.b. nr. 5, p. 4; akte uitlating deskundigenrapport [eiser] d.d. 28 mei 1998, nr. 3, p. 1-3; antwoordakte [eiser] d.d. 23 juli 1998, nr. 3, p. 2; akte/antwoordakte [eiser] d.d. 21 januari 1999, nr. 2, p. 2, en nr. 5, p. 3.
23. C.v.a. van [verweerster 2] in het inc. tot tussenk. subs. voeging d.d. 1 februari 1990, nr. 4, p. 3; c.v.a. VWB d.d. 8 maart 1990, nr. 3, p.2; m.v.r. VWB tegen [eiser] d.d. 26 oktober 1995, nr. 21, p. 9.
24. Deze vraag is in een andere, door [eiser] jegens de vennootschap aangespannen, procedure ontkennend beantwoord. In die procedure, tegen de vennootschap, heeft [eiser] vernietiging gevorderd van o.m. het besluit van de a.v.a. tot kapitaalverhoging van 27 augustus 1987 (Vgl. inc. concl. tot tussenkomst d.d. 16 november 1989, nr. 3, p. 3).
25. Volgens Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek 1989, nr. 224.2, p. 430-431, kon dit niet. Evenzo W.J. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, 1985, p. 102. P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1988, p. 215-217, lijkt (voor het toenmalige recht) een beroep op vernietigbaarheid als verweer ook mogelijk te achten in een procedure waarbij de vennootschap geen partij is.
26. Vgl. P. van Schilfgaarde, a.w., 1988, p. 214.
27. Van der Heijden/Van der Grinten, a.w., 1989, nr. 224, p. 424-425; Sanders/Westbroek, NV en BV, 1985, p. 150-151. Anders: Van Schilfgaarde, a.w., 1988, p. 218 (en ook: s.t. advocaat VWB, nr. 2.3, p. 6-7).
28. Ro. 7.2 van het arrest van 22 augustus 1996.
29. In de inc. concl. tot tussenkomst, van [eiser] d.d.16 november 1989, nr. 2, p. 3, heeft deze hierover niet meer gesteld dan dat de emissie d.d. 25 mei 1984 in feite een verdunning van de rechten van de certificaathouders inhield. In de m.v.a. d.d. 8 juni 1995, nr. 3, p. 5, stelt [eiser] in dit verband slechts dat bij die emissie de zeggenschap in de vennootschap werd verkwanseld. VWB heeft hierop gewezen in haar m.v.r. d.d. 26 oktober 1995, nr. 43, p. 15-16.
30. Vgl. HR 30 mei 1995, NJ 1995, 622 en de conclusie (Fokkens) van voor dit arrest, onder 9. Zie voorts C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer (red.), T & C Strafrecht, 2000, p. 710.
31. In diezelfde zin oordeelde c.p.g. (Van Soest), § 3.2., voor HR 16 februari 1994 ,NJ 1994, 485, m.nt. J.M.M. Maeijer. Dat de Hoge Raad vervolgens, anders dan de c.p.g., oordeelde dat [eiser] wel moest worden toegelaten als tussenkomende partij, om zijn belang bij een redelijke overdrachtsprijs te kunnen behartigen (ro. 3.6). laat m.i. de genoemde stelling in de conclusie onverlet.
32. In de literatuur wordt vrij algemeen aangenomen dat de wetgever hiermee op prioriteitsaandelen doelt Asser/Maeijer, 2-III, 2000, nr. 512, p. 766. Zie voorts Van der Heijden/Van der Grinten, a.w., 1992, nr. 199, p. 329; Huijgen in T&C, Ondernemingsrecht, 2000, p. 286; Van Schilfgaarde, a.w., 1998, nr. 130, p. 338. M.J. Van Vliet, Uitkoop van minderheidsaandeelhouders, 1999, p. 64. stelt dat de wetgever m.n. heeft gedacht aan prioriteitsaandelen.
33. Kamerst. [II 1985-1986], 18 904, nr. 7.
34. Kamerst., a.w., nr. 6, p. 1.
35. Van der Heijden/Van der Grinten, a.w., 1992, nr. 199, p. 329.
36. Maeijer, a.w., nr. 512, p. 766.. Wel onderschrijft hij het oordeel van de OK. Ook M.J. van Vliet, a.w., p. 64, meent dat dit oordeel juist is.
37. Vgl. ook Van Vliet, a.w., p. 60.
38. Vgl. s.t. advocaat VWB, nr. 6.5, p. 12; deze spreekt van gebrek aan belang, wat óók juist is.
39. Vgl. P.A. Stein, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2000, p. 138-139 en de noot van Maeijer onder HR 16 februari 1994, NJ 1994, 485, p. 2271, rk. Zie ook c.p.g. voor HR 10 september 1999, CRvdW 1999, 123, i.h.b. § 1.4, § 1.7.2. en § 1.8.
40. Cursiveringen toegevoegd.