Art. 407 lid 2 RvArt. 99 lid 1 onder 2 Wet ROArt. 3 lid 1 EVOArt. 9 Trustverdrag
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad arrest over uitleg en rechtsgevolgen van zekerheidsrechten bij Leyland DAF insolventie
De zaak betreft een cassatieberoep van Leyland DAF Ltd. en Leyland DAF International Ltd. tegen het arrest van het hof in een insolventiegeschil met de Nederlandsche Trust-Maatschappij B.V. en Stichting Ofasec. De kern van het geschil betreft de uitleg van zekerheidsrechten, de betekenis van de prospectus en trustdocumenten, en de rechtspositie van obligatiehouders binnen het DAF-concern.
De Hoge Raad verwijst veelvuldig naar een parallelzaak (C 99/054) en bevestigt dat de klachten van Leyland-vennootschappen grotendeels falen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de rechten van obligatiehouders mede worden bepaald door de interpretatie van de prospectus en trustdocumenten, en dat het abstracte karakter van het toonderpapier niet leidt tot onaanvaardbare verschillen tussen obligatiehouders.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft vastgesteld dat de Administration Conditions en borgtochtovereenkomsten instrumenten zijn om uitvoering te geven aan de gekozen zekerheidsopzet, zonder nieuwe materiële rechten te scheppen. Ook de rechtskeuze voor Nederlands en Engels recht is begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Conclusie
<
1
>
Rolnr. C 99.048
Zitting d.d. 11 augustus 2000 (bij vervroeging)
Conclusie mr Spier
inzake
1. Leyland DAF Ltd.
2. Leyland DAF International Ltd.
(hierna: Leyland-vennootschappen)
tegen
1. Nederlandsche Trust-Maatschappij B.V.
(hierna: NTM)
2. Stichting Ofasec
(hierna: Ofasec)
Edelhoogachtbaar College,
1. Feiten en procesverloop
1.1 Voor de relevante feiten zij verwezen naar par. 1 van mijn
conclusie in de zaak met rolnr. C 99/054 (Ofasec/NTM).
1.2 Het procesverloop is in overwegende mate hetzelfde als in
de onder 1.1 bedoelde zaak, hierna ook aangeduid als de
parallel zaak. Voorzover in de onderhavige procedure
specifieke kwesties aan de orde komen, wordt daaraan aandacht
geschonken bij de bespreking van de desbetreffende klachten.
2. Opmerkingen ter vereenvoudiging van de afdoening
2.1 De onderhavige zaak vertoont in zoverre een kenmerkend
<
1
>
verschil met de parallel zaak dat het hier gaat om Engelse
dochterondernemingen en om een in de Engelse taal gestelde
prospectus. De geëerde steller van het middel heeft er op
gewezen dat 's Hofs arrest op zijn "Britse opdrachtgevers"
"geheel onbegrijpelijk is overgekomen" (s.t. onder 1.1).
2.2 De Leyland-vennootschappen hebben er in cassatie aandacht
voor gevraagd dat hun crediteuren het gelag betalen (s.t.
onder 1.5). Die stelling is niet zonder meer duidelijk. In de
procedure in feitelijke aanleg is niet uit de verf gekomen of
de Leyland-vennootschappen in staat van faillissement zijn
verklaard dan wel of het Engelse equivalent van de Nederlandse
surséance van betaling is verleend. Daarmee is vooralsnog
zeker niet ondenkbaar dat degenen die, om de terminologie van
mr Van Staden ten Brink aan te houden, het gelag betalen
veeleer de aandeelhouders van de Leyland-vennootschappen zijn.
Waarom zou dat onrechtvaardig zijn? Het ging destijds immers
om zekerheden ten behoeve van leningen die voor het gehele
DAF-concern waren bestemd.
2.3 De Leyland-vennootschappen hameren er voorts, gepafraseerd
weergegeven, op dat hun crediteuren er niet op bedacht waren
dat de zekerheden waren uitgehold (s.t. onder 1.6). Ik wil dat
best aannemen, maar is zulks beslissend? Naar Nederlands recht
zeker niet. Het komt zo vaak voor dat debiteuren alle denkbare
activa aan banken en andere financiers tot zekerheid hebben
gegeven (of eenvoudigweg door mismanagement of anderszins
hebben verkwist). Dat een specifieke groep crediteuren er met
de zekerheden vandoor gaat, is voor anderen inderdaad niet erg
aantrekkelijk, maar per saldo beschouwt zowel onze wetgeving
als onze rechtspraak dat - schaarse uitzonderingen daargelaten
- niet als onaanvaardbaar. Ook in andere landen is zo'n
benadering, naar ik meen, allerminst onbekend.
2.4 Het voert te ver - en zou bovendien een onderzoek van
feitelijke aard vergen - uit te zoeken of het Engelse recht op
dit punt wezenlijk anders is, in dier voege dat de
mogelijkheden om zekerheden te verschaffen beperkter zijn.<(1) Vermoedelijk is de situatie in Engeland niet
wezenlijk anders; zie bijv. Penningston's Company Law
(7e dr. 1995) blz. 555 e.v.>
Het had op de weg van Leyland-vennootschappen gelegen om
daaromtrent concrete gegevens aan te dragen. Zij hebben dat
nagelaten, naar mag worden aangenomen omdat de situatie in
Engeland niet essentieel verschilt.
2.5 Tussen de (talloze) klachten in de zaken C 99/054 en de
onderhavige zaak bestaan weinig verschillen<(2) Zie de s.t. van mr Van Staden ten Brink onder 1.1.>, zij het dan ook
dat de klachtenregen in deze zaak nog wat groter is.<(3) Mr Snijders wijst daar in zijn s.t. in de zaak met
rolnr. C 99/051 met juistheid op; onder 1.8.> Uit
praktische overwegingen meen ik daarom goeddeels naar bedoelde
parallel conclusie te kunnen verwijzen.
2.6.1 Voorzover nodig - dat is slechts op beperkte schaal het
geval - wordt tevens aandacht geschonken aan betrekkelijk
ondergeschikte punten van verschil.
2.6.2 In het bijzonder met betrekking tot het derde middel is
in de zaak met rolnr.
C 99/054 aandacht besteed aan de rol van Ofasec en de
betekenis van de in dat middel aan de orde gestelde
rechtsvragen voor financieringstransacties in meer algemene
zin. Bij de bespreking van het derde middel in de onderhavige
zaak moet onder ogen worden gezien of de uiteenzettingen in de
zaak Ofasec/NTM zonder meer naar de onderhavige zaak kunnen
worden getransponeerd.
2.7 Opmerking verdient nog dat de gevolgen van een andere
uitkomst van deze zaak en de zaak met rolnr. C 99/054 moeilijk
kunnen worden overzien. In een lawyer's paradise zou dat een
aantrekkelijk vooruitzicht zijn; in het rauwe leven van
alledag is het een weinig bekoorlijk perspectief. Er moeten
daarom klemmende redenen zijn daartoe te geraken. Die zijn er
m.i. niet.
2.8 In deze procedure is ervoor gekozen om één middel te
formuleren dat uiteenvalt in een lange reeks onderdelen,
subonderdelen en verdere onderverdelingen. Uit praktische
overwegingen houd ik het ervoor dat sprake is van zes middelen
(I-VI).
3. Bespreking van middel I
3.1.1 De klachten van het eerste middel falen in essentie op
de gronden vermeld in de parallel conclusie (C 99/054) onder
4. Hieronder wordt slechts ingegaan op die klachten die
inhoudelijk iets toevoegen of die in relevant opzicht
afwijken.
3.1.2 Voorzover in de klachten slechts de formulering
enigszins anders is zonder dat zij in materieel opzicht een
nieuw gezichtspunt aan de orde stellen, ga ik er niet op in.
3.2 Onderdeel 1d strekt ten betoge dat 's Hofs
interpretatiemethode in rov. 5.5-5.7 conflicteert met zijn
oordeel in rov. 5.9 dat de inhoud van rechten en
verplichtingen uit obligaties uit het toonderpapier kenbaar
moeten zijn.
3.3 Het onderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag
ontbeert. In rov. 5.9 brengt het Hof tot uitdrukking dat uit
het toonderpapier had moeten blijken van eventuele verschillen
in behandeling van de Engelse en de Nederlandse
obligatiehouders. Daarmee wil niet gezegd zijn dat, in 's Hofs
visie, deze toonderstukken bij uitsluiting van andere stukken
de rechten van de obligatiehouders bepalen. Een dergelijke
stelling zou trouwens onjuist zijn, zoals in de parallel
conclusie onder 4.4 aangegeven.
3.4 De onderdelen 2a-2e wijken af van de onderdelen 2a-2c van
die in de zaak met rolnr. C99/054. Zij zijn evenwel geen beter
lot beschoren.
3.5 Onderdeel 2a klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat
het slechts aankomt op de vraag hoe de contracterende partijen
de voorwaarden hebben begrepen. Deze klacht faalt omdat in
deze benadering kennelijk zonder belang wordt geacht hoe
degenen die het geld daadwerkelijk ter beschikking stellen
deze voorwaarden hebben begrepen (naar met name de
debiteur/uitgevende instelling heeft moeten begrijpen).
3.6 Het lijkt mij duidelijk dat deze opvatting niet juist kán
zijn. In extremis: de contractpartijen zijn het eens over iets
wat onmiskenbaar (en voor de beleggers zeer nadelig) afwijkt
van de voorwaarden in onder meer de prospectus. De door de
Leyland-vennootschappen gepropageerde stelling zou er dan -
doorgedacht - toe leiden dat de beleggers zijn gebonden aan de
voor hen niet kenbare bedoeling van de contractpartijen. Dat
is uiteraard niet het geval.
3.7 De onderdelen 2b en 2c voegen - voorzover zij al iets
behelzen wat niet in onderdeel 2a besloten ligt - niets
wezenlijks toe aan die besproken in de parallel zaak.
3.8.1 Onderdeel 2d beklemtoont het "abstracte karakter" van
het toonderpapier. Wat het onderdeel daarmee nauwkeurig wil
zeggen is niet ten volle duidelijk. Zie ik het goed, dan menen
eiseressen tot cassatie dat onjuist is de opvatting dat de
latere verkrijgers anders zouden worden behandeld dan hun
voorgangers. Die opvatting onderschrijf ik in haar
algemeenheid. Ik moge verwijzen naar hetgeen ik daaromtrent in
de parallel conclusie onder 4.4 heb opgemerkt.<(4) Ter ondersteuning van hun stellingen doen de
Leyland vennootschappen beroep op een bijdrage van
S.C.J.J. Kortmann in Converteerbare obligaties en
aandelen (blz. 25). Ik vraag mij af of daaruit wel
steun voor hun standpunt kan worden geput.
>
3.8.2 Volgens mr Van Staden ten Brink zou een obligatie een
"hazardeus papier" worden wanneer de koper van een ter beurze
verhandelde obligatie "volledig in de schoenen van zijn
voorganger treedt". Dan zou, nog steeds volgens de s.t.,
iedere afzonderlijke verkrijger "gehaviltext" moeten worden
(s.t. onder 2.13).
3.8.3 Dat klinkt inderdaad verschrikkelijk. Maar enerzijds
wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend en
anderzijds kleven aan de door de Leyland-vennootschappen
voorgestane benadering eveneens aanzienlijke nadelen. In hun
visie is kennelijk zonder belang wat in de prospectus staat en
doen eventuele verschillen tussen een trustakte en de
prospectus niet ter zake. Ik kan geen goede reden bedenken
waarom deze stukken, die met recht en reden worden vervaardigd
en die de basis vormen voor de eerste beleggers om op de
stukken in te tekenen zonder belang zouden zijn. De
interpretatie die de eerste beleggers aan deze stukken geven
bepaalt mitsdien ten minste mede het succes van de lening en
daarmee ook de prijs van de obligaties.
3.8.4 De opvatting van de Leyland-vennootschappen ten einde
doorgedacht, lijkt het er zelfs op dat een foutieve vermelding
van de trustakte op de achterzijde van het "hazardeuze papier"
beslissend zou worden.
3.8.5 De onder 3.8.2 verwoorde benadering ziet er voorts aan
voorbij dat degene die een obligatie ter beurze koopt in het
gunstigste geval de obligatie in fysieke zin eerst geruime
tijd later krijgt. Zou hij van de op de achterzijde afgedrukte
tekst al willen kennisnemen, dan kan hij dat eerst na de
transactie. Reeds deze omstandigheid bestempelt de opvatting
die de Leyland-vennootschappen ingang willen doen vinden tot
onaantrekkelijk. Dat geldt a fortiori wanneer wordt bedacht
dat, bij mijn weten, van obligaties en soortgelijke
waardepapieren zelden evenzovele stukken worden gedrukt als er
worden uitgegeven. In de huidige tijd ligt dat in de rede.
Bewaring van de fysieke stukken is in onbruik geraakt, vergt
teveel onnodige rompslomp (zoals het feitelijk knippen van
coupons!) en is volstrekt overbodig geworden. Dat het, bij
deze stand van zaken, aan zou komen op het "abstracte karakter
van het toonderpapier" roept een papieren tijger in het leven.
In fysieke zin is deze - om aan te sluiten bij de beeldspraak
van mr Van Staden ten Brink - niet gevaarlijk; het is wel een
fantoom dat ware te bestrijden.
3.9 Onderdeel 2e komt overeen met onderdeel 2c in de parallel
zaak en faalt op gelijke grond.
3.10.1 Onderdeel 3b (in verband daarmee vernummeren de
onderdelen 3b en 3c uit C99/054 in deze zaak tot 3c en 3d)
heeft betrekking op een pretense tegenstrijdigheid in 's Hofs
gedachtegang. Zie ik het goed, dan verwijt het onderdeel het
Hof dat het naast elkaar heeft geplaatst dat:
a) het onaanvaardbaar zou zijn wanneer de voorwaarden van de
obligatielening ten opzichte van de onderscheiden betrokkenen
verschillend zouden worden uitgelegd;
b) op grond van de Engelse tekst (meer in het bijzonder het
woord Company) een afwijkend resultaat kan worden bereikt.
3.10.2 Volgens de Leyland-vennootschappen is de onder a
verwoorde opvatting in beginsel juist.
3.11 Tegen de achtergrond van het onder 3.10.2 gekozen
uitgangspunt van de Leyland-vennootschappen ontvalt het belang
aan de klacht. Het ligt in de rede - en de Engelse beleggers
moeten dat ook hebben begrepen - dat als voor de uitleg een
keuze moet worden gemaakt tussen de Nederlandse en de Engelse
tekst de Nederlandse prevaleert; het gaat immers om een
Nederlandse debiteur die op de Nederlandse en gedeeltelijk ook
buitenlandse markt geld leent.<(5) De s.t. van mr Van Staden ten Brink ziet dat m.i.
over het hoofd (zie met name onder 3.3).> De Nederlandse tekst brengt
mee - zoals in de parallel zaak onder 4 uiteengezet - dat moet
worden uitgegaan van een ruim pari passu-recht in de optiek
van beleggers. Dat ligt, ook in de redenering van de Leyland-
vennootschappen, niet anders voor de Engelse tekst (en de
Engelstalige beleggers). Dit blijkt uit verschillende passages
in de tekst van de prospectus.
3.12.1 Naar ik begrijp voert het onderdeel voorts aan dat de
term "company" in de Engelstalige prospectus het Hof ertoe had
moeten aanzetten te onderzoeken of "de perceptie van het
begrip Company niet tot de enge uitleg van [het pari passu-
recht] moet leiden".
3.12.2 In de s.t. (sub 3.1) stelt mr. Van Staden ten Brink dat
"vriend en vijand (...) het erover eens [zijn], dat alleen het
Nederlandse woord "onderneming" mogelijk aanleiding tot
dispuut kan geven (...). Bij het Engelse woord "Company" is
die onzekerheid er niet. [Daarmee] kan nooit het hele concern
bedoeld zijn."
3.13 De klacht miskent 's Hofs gedachtegang. Zijns inziens
valt uit het geheel van de in rov. 5.7 opgesomde
omstandigheden af te leiden dat sprake is van een ruim pari
passu-recht, ook wanneer de enkele term Company in andere
richting zou wijzen. Volgens het Hof is er immers geen reden
om doorslaggevende betekenis aan deze term te hechten, wat er
ook zij van de vraag of deze - geïsoleerd bezien - wijst op
een eng of een ruim pari passu-recht. Deze gedachtegang is
zeker niet onbegrijpelijk en geeft evenmin blijk van een
onjuiste rechtsopvatting; waarom dat anders zou zijn wordt in
het onderdeel niet (op een wijze die voldoet aan de eisen van