ECLI:NL:PHR:2001:AB0829
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing deelnemingsvrijstelling bij aandelenbezit van minder dan 5 procent
In deze zaak stond centraal of een aandelenbezit van minder dan 5% in een vennootschap kan kwalificeren voor de deelnemingsvrijstelling op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belanghebbende, een houdstermaatschappij opgericht in het kader van een bedrijfsopvolging, hield een minderheidsbelang in een werkmaatschappij. De Inspecteur weigerde de deelnemingsvrijstelling omdat het aandelenbezit volgens hem niet in de lijn lag van de onderneming van belanghebbende.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat het aandelenbezit niet slechts een belegging was en dat het in de lijn lag van de normale bedrijfsuitoefening. De Staatssecretaris stelde cassatie in met het middel dat het Hof ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar het vereiste dat belanghebbende zelf een onderneming moest drijven.
De Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat het aandelenbezit niet als belegging wordt gehouden, voldoende is om aan te nemen dat het in de lijn ligt van de normale bedrijfsuitoefening. Het vereiste dat de belastingplichtige zelf een onderneming drijft, is niet langer noodzakelijk voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling bij minderheidsbelangen. Het middel werd ongegrond verklaard en het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is bij aandelenbezit onder 5% dat niet als belegging wordt gehouden.