ECLI:NL:PHR:2001:AB1065
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijslastverdeling bij kop-staartbotsing en toepassing art. 177 Rv
In deze zaak gaat het om een kop-staartbotsing waarbij de achterligger, verzekerd bij Stad Rotterdam, de voorligger aanreed nadat deze plotseling remde voor een overstekende eend. De voorligger vordert schadevergoeding van de WAM-verzekeraar van de achterligger. De rechtbank wees de vordering af omdat zij de lezing van de achterligger niet geloofwaardig achtte en oordeelde dat deze een plotseling gevaar had veroorzaakt waarop de achterligger niet tijdig kon reageren.
In hoger beroep oordeelde het Hof dat onvoldoende gegevens aanwezig waren om de lezing van de achterligger te verwerpen en dat bewijslevering noodzakelijk was. Het Hof legde de bewijslast op de WAM-verzekeraar van de achterligger, omdat de achterligger zijn auto niet tijdig tot stilstand had gebracht, wat een vermoeden van onvoldoende afstand schept.
De Hoge Raad bevestigt dat het bewijsvermoeden bij kop-staartbotsingen geldt dat de achterligger onvoldoende afstand hield, maar dat dit vermoeden kan worden weerlegd door bewijs dat het plotseling en onverwacht remmen van de voorligger de botsing veroorzaakte. De Hoge Raad wijst op de toepassing van art. 177 Rv Pro., waarbij van de hoofdregel kan worden afgeweken op grond van redelijkheid en billijkheid. De cassatie wordt verworpen omdat het Hof zijn oordeel op een juiste wijze heeft gemotiveerd, ook al is die motivering sober.
De uitspraak benadrukt dat de bewijslastverdeling in dit soort verkeerszaken nauw verweven is met feitelijke waarderingen en dat het bewijsvermoeden niet zonder meer een omkering van de bewijslast inhoudt, maar een redelijke grondslag biedt voor het opleggen van de bewijsopdracht aan de achterligger of diens verzekeraar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bewijslast blijft bij de WAM-verzekeraar van de achterligger om te bewijzen dat het remmen van de voorligger plotseling en onverwacht was.