ECLI:NL:PHR:2001:AB1067

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/073HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1153 BW NAArt. 1173 BWArt. 286a Rv NAArt. 4 Cassatieregeling Nederlandse Antillen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake beheer onbeheerde nalatenschap Antilliaanse plantage

In deze Antilliaanse zaak verzochten bewoners van een plantage de Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen tot curator te benoemen over de nalatenschap van een erflaatster, omdat zij deze nalatenschap als onbeheerd beschouwden.

Het Gerecht in Eerste Aanleg wees dit verzoek toe, maar op verzet van verzoeker, die zich als erfgenaam presenteerde, werd dit verzet ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van afstamming.

Het Gemeenschappelijk Hof stelde verzoeker echter in hoger beroep in het gelijk en oordeelde dat de nalatenschap niet onbeheerd was, omdat verzoeker als erfgenaam aanspraak maakte en deze wilde beheren.

Verzoeker stelde vervolgens cassatieberoep in tegen de eerdere overwegingen, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het cassatieberoep niet tijdig was ingediend binnen de geldende termijnen voor de Nederlandse Antillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Conclusie

Rekest R00/073
mr. De Vries Lentsch - Kostense
(Antilliaanse zaak)
Zitting 12 januari 2001
Conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
de Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen
in welke zaak tevens belanghebbenden zijn:
- [Belanghebbende 1]
- [Belanghebbende 2]
- [Belanghebbende 3]
- [Belanghebbende 4]
- [Belanghebbende 5]
- [Belanghebbende 6]
- [Belanghebbende 7]
Edelhoogachtbaar College,
1. In deze Antilliaanse zaak hebben de hierboven opgesomde "belanghebbenden" [belanghebbende] c.s., bewoners van de plantage "[..]" op de voet van art. 1153 BW Pro NA (= art. 1173 BW Pro) het Gerecht in Eerste Aanleg verzocht de Stichting Curatorenschap Onbeheerde Nalatenschappen (thans verweerster in cassatie) tot curator te benoemen over de onbeheerde nalatenschap van [erflaatster], daartoe stellende dat de nalatenschap van deze [erflaatster], waartoe de door hen bewoonde plantage behoort, onbeheerd en nimmer afgewikkeld is alsmede dat zij als bewoners van genoemd perceel belang erbij hebben dat in het beheer van de nalatenschap wordt voorzien en dat de nalatenschap wordt afgewikkeld.
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft dit verzoek bij beschikking van 28 januari 1999 toegewezen met de overweging dat uit de door de verzoekers verstrekte gegevens moet worden geconcludeerd dat niemand aanspraak maakt op de nalatenschap van [erflaatster].
2. [Verzoeker] (thans verzoeker tot cassatie) is van deze beschikking in verzet gekomen, stellende dat hij - tezamen met zijn broers en zussen - erfgenaam is van [erflaatster], dat hij de nalatenschap wil beheren en dat derhalve geen sprake is van een onbeheerde nalatenschap.
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft het verzet bij beschikking van 7/9 september 1999 ongegrond verklaard met de overweging dat [verzoeker] op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat hij een afstammeling is van [erflaatster].
3. [Verzoeker] heeft van laatstgenoemde beschikking hoger beroep ingesteld. Bij eindbeschikking van 29 februari 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof het beroep van [verzoeker] gegrond verklaard; het heeft de beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van 28 januari 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzoek van de oorspronkelijk verzoekers afgewezen. Het Hof overwoog daartoe dat is gebleken dat [verzoeker] dient te worden aangemerkt als erfgenaam van [erflaatster], alsmede dat de nalatenschap van deze [erflaatster] niet als onbeheerd kan worden aangemerkt nu [verzoeker] aanspraak maakt op deze nalatenschap en hij ter zitting heeft aangegeven deze nalatenschap te willen beheren. Ter voorkoming van misverstanden overwoog het Hof ten overvloede nog dat zijn beslissing niet impliceert dat [verzoeker] en zijn broers en zussen door het Hof worden aangemerkt als de enige rechthebbenden tot de nalatenschap van [erflaatster] dan wel tot de plantage [..].
4. Hoewel aldus in het gelijk gesteld, heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld, daarbij met name opkomend tegen voormelde overweging ten overvloede en een daarmee samenhangende overweging.
Dit beroep moet reeds daarom stranden omdat het niet tijdig is ingesteld. De onderhavige Antilliaanse verzoekschriftprocedure betreft immers een "buiten eigenlijk rechtsgeding"; ingevolge art. 286a Rv NA geldt hier een appèltermijn van 3 weken en ingevolge het bepaalde in art. 4 van Pro de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen juncto art. 286a Rv NA moet cassatieberoep binnen negen weken na dagtekening van de bestreden beschikking worden ingesteld. De eindbeschikking van het Gemeenschappelijk Hof dateert van 29 februari 2000. Het cassatierekest is eerst op 29 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; het cassatieberoep is dan ook niet tijdig ingesteld, zodat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden