ECLI:NL:PHR:2001:AB1208
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering tegen raadsman wegens niet tijdig instellen procedure na bestemmingsplanwijziging
Eiser en zijn buurman kochten in 1981 percelen grond met de intentie woningen te bouwen in een laagbouwplan met veel groen. Kort na de koop wijzigde de gemeente het bestemmingsplan naar hoogbouw, wat nadelig was voor eiser. Verweerder, de raadsman, voerde namens beiden een administratiefrechtelijke procedure tegen de gemeente, die geen gunstig resultaat opleverde. Daarna voerde verweerder alleen voor de buurman een civiele procedure, die succesvol was, maar niet voor eiser.
Eiser werd pas in 1988 door zijn raadsman geïnformeerd over de verjaring van zijn vordering tegen de gemeente en stelde daarop verweerder aansprakelijk wegens het niet tijdig instellen van een civiele procedure. De rechtbank ontbond de overeenkomst en veroordeelde verweerder tot schadevergoeding, maar het hof oordeelde dat de vordering van eiser verjaard was op grond van artikel 3:311 BW Pro, omdat eiser kort na het gunstige vonnis voor de buurman bekend had moeten zijn met de tekortkoming van verweerder.
In cassatie stelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser met de tekortkoming bekend zou zijn geweest en dat het oordeel onbegrijpelijk is dat eiser al in 1987 bekend was met de tekortkoming, terwijl de civiele procedure voor de buurman nog in hoger beroep was. De Hoge Raad bevestigt dat het criterium voor aanvang van de korte verjaringstermijn in beginsel subjectief is, met enige objectivering. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Arnhem voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Arnhem voor verdere behandeling.