ECLI:NL:PHR:2001:AB1427
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over nietigheid en uitleg van borgstelling en garantieverklaring in kredietrelatie ABN-AMRO en D.P. Advertising
In deze zaak gaat het om een kredietovereenkomst tussen ABN-AMRO Bank en D.P. Advertising B.V. (DPA), waarbij verweerder 1 een verklaring heeft afgelegd waarin hij zich sterk maakt voor een kapitaalstorting ten behoeve van DPA. Verweerder 1 was niet aandeelhouder en had geen toestemming van zijn echtgenote, verweerder 2, die de nietigheid van de verklaring heeft ingeroepen op grond van art. 1:88 lid 1 sub c oud Pro BW.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verklaring van verweerder 1 een garantieovereenkomst betrof waarvoor toestemming van de echtgenote vereist was, en dat verweerder 2 terecht de nietigheid had ingeroepen. Het hof ging er ook van uit dat de bank afstand had gedaan van haar aanspraak op storting, mede gebaseerd op een brief die ten onrechte aan de bank werd toegeschreven.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onjuist heeft aangenomen dat de brief van 16 januari 1991 van de bank afkomstig was, terwijl deze door DPA was geschreven. Hierdoor kan het hofsoordeel over afstand van recht en rechtsverwerking niet standhouden. Ook de uitleg van de borgstellingsverklaring als een zich sterk maken voor een derde wordt bevestigd, waarbij de Hoge Raad de eerdere uitleg van hof en rechtbank onderschrijft.
De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarbij opnieuw moet worden beoordeeld of de bank afstand heeft gedaan van haar aanspraken en of de nietigheid van de verklaring terecht is ingeroepen. De Hoge Raad benadrukt de beschermende werking van art. 1:88 lid 1 sub c oud Pro BW ten behoeve van de echtgenoot tegen rechtshandelingen zonder toestemming.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.