1. Feiten ontleend aan ro. 2 van het vonnis van de rechtbank. Hiertegen zijn in appel geen grieven gericht, behoudens een "verholen grief" die het hof heeft verworpen wegens gebrek aan belang (tussenarrest hof 22 april 1998, roo. 1-3). Hierover heeft eiser in cassatie niet geklaagd.
2. De overeenkomst tussen de voormalig aandeelhouder en [B] B.V. is overgelegd als prod. 1 bij c.v.r.
3. Prod. 2 bij c.v.r. (uittreksel uit het handelsregister).
4. Prod. 3 bij c.v.r. (uittreksel uit het handelsregister).
5. Als prod. 5 bij c.v.r. is een afschrift van de akte van overdracht overgelegd. Hieruit blijkt dat de overdracht plaatsvond op 5 april 1991.
6. In verschillende gedingstukken wordt 1 april 1991 als datum genoemden in de m.v.gr., p. 5, 1 juni 1991.
7. Prod. 6 bij c.v.r. (uittreksel uit het handelsregister).
8. Prod. 9 bij c.v.r.
9. Te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf 15 juni 1991.
10. Prod. 12 c.v.r., prod. 2 bij c.v.d. en prod. 3d bij de akte namens [eiser] d.d. 28 oktober 1998.
11. Prod. 7 c.v.r.
12. Besluit van 30 mei 1990, Stb. 223; nadien verschillende keren gewijzigd.
13. Het verzuim om de zaak op de rol van de bij dagvaarding aangezegde rechtsdag (13 augustus 1999) te doen inschrijven is met bekwame spoed, binnen veertien dagen na de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag, hersteld door het uitbrengen van een herstelexploit (op 20 augustus 1999), waarbij de ontvanger, met inachtneming van de dagvaardingstermijn, is gedagvaard tegen een nieuwe rechtsdag (3 september 1999), en door het vervolgens doen inschrijven van de zaak ter rolle van de nieuw aangezegde rechtsdag. Vgl. HR 17 september 1993, NJ 1993, 741; HR 5 december 1997, NJ 1998, 193 en HR 13 oktober 2000, (C00/165) .
14. Wet van 21 mei 1986, Stb. 276 (vaak aangeduid als "tweede misbruikwet") en in werking getreden op 1 januari 1987.
15. Wet van 30 mei 1990, Stb. 1990, 221. In werking getreden op 1 juni 1990 bij Wet van 30 mei 1990 (Invoeringswet Invorderingswet 1990), Stb. 1990, 222, artikel LVII.
16 P. van Schilfgaarde, Van de BV en de NV, 1998, p. 155-156.
17 Zie c.p.g. (§ 3.1. en 3.2.) voor HR 31 mei 1996, NJ 1996, 671; zie ook HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695, m.nt. J.M.M. Maeijer. Zie voorts § 2 van de c.p.g. (Van den Berge) voor HR 22 dec. 1993, NJ 1994, 313.
18. Kamerst. [II 1980-1981] 16 530, nr. 3, p. 18, 3e al. Zie voorts: m.v.a. II, kamerst. nr. 6, p. 40, 2e al., p. 45, 1e al. en p. 50, 2 en 4e al., alsmede m.v.t. derde misbruikwet (wet van 16 mei 1986, Stb. 275), kamerst. [II 1981-1982] 16 631, nr. 3, p. 6, 6e al., m.v.a. II, kamerst. nr. 6, p. 19-20 en p. 23-24.
19. In de zin van art. 36, lid 5, aanhef en sub b, Iw. 1990.
20. Vgl. s.t. rijksadvocaat, § 3.6, p. 4.
21. Zie ook de s.t. van de advocaat van [eiser], § 2.4.-2.5., p. 3-4.
22. Zie name de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis: m.v.a. II, kamerst. [II 1983-1984]16 631, nr. 6, p. 19, onderaan (hier wordt gesproken van het in handen nemen van de feitelijke macht); - ibid., p. 24, begin tweede alinea: "Er moet enerzijds een directe bemoeienis met het bestuur zijn, anderzijds een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, wil er sprake zijn van "beleidsbepaler als ware hij bestuurder"; ibid., p. 20, eerste alinea, halverwege :"(..) Daarmee wil gezegd zijn - en wordt mijns inziens ook gezegd - dat zij die op een of andere wijze invloed op het bestuur uitoefenen, of zelfs ten aanzien van het bestuur een zekere feitelijke machtspositie innemen, alleen dan aansprakelijk zijn, indien zij als het ware op de plaats van de bestuurders zijn gaan zitten. (..)".
23. M.v.a. I, kamerst [1985-1986], 16 631, nr. 27b, p. 21.
24. Prod. 7 bij c.v.r., laatste bijlage.
25. Vgl. Asser-Maeijer, a.w., nr. 331, p. 460, m.b.t. artt. 2:138 en 2:248 BW (derde misbruikwet): "De woorden «als ware hij bestuurder» zijn opgenomen om duidelijk te maken dat de beleidsbepalers alleen aansprakelijk zijn indien zij als het ware op de plaats van de bestuurders zijn gaan zitten, zodat deze laatsten fungeren als marionetten."
26. Zie ook de s.t. van de rijksadvocaat, nr. 4.6, p. 7.
27. Vgl. de c.p.g. (De Vries Lentsch-Kostense) voor HR 20 december 1996, NJ 289, § 11, en de noot van P.J. Wattel onder dit arrest, alsmede de aldaar aangehaalde rechtspraak en literatuur. Zie ook Vakstudie Invorderingswet (losbl.), Leidraad Invordering 1990, Teksten 1990 e.v., p. 1.
28. Bij besluit van 25 juni 1999 (Stcrt. 122) is m.i.v. 1 juli 1999 een wijziging in (een niet geciteerd gedeelte van) deze bepaling doorgevoerd. Deze wijziging is voor de onderhavige zaak echter niet relevant. Overigens wordt de bepaling (zoals deze luidde voor 1 juli 1999) in haar geheel geciteerd in de cassatiedagvaarding, p. 8-9.
29. Vgl. de s.t. van de advocaat van [eiser], § 3.11, p. 13.
30. Vgl. in dit verband de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 maart 1995, V-N 1995, p. 1631 en die van de rechtbank te Arnhem van 3 december 1998, V-N 1999, p. 1454, beide aangehaald in Vakstudie Invorderingswet (losbl.), art. 36, aant. 70.
31. Prod. 12 bij c.v.r.
32. De stukken zijn volledig genoeg om eruit te kunnen afleiden wat de uitkomst van de correspondentie is geweest. Volgens de ontvanger heeft de correspondentie niet de vereiste informatie opgeleverd, zodat de melding ook om die reden niet rechtsgeldig is (vgl. c.v.r., nrs. 19-24, p. 7-8). Of en hoe dit bij beschikking aan [eiser] is bekendgemaakt komt in de gedingstukken niet naar voren.
33. Zie J.W. Ilsink en I.M. Fliers, Fiscaal bestuursprocesrecht, 1995, p. 8-10.
34. Anders: E.R.H. Heijmans/J.H.P.M. Raaijmakers, Aansprakelijkheden Invorderingswet 1990, 1995, p. 172.
35. Aangezien dit een algemeen verbindend voorschrift is en [eiser] in dit verband geen nieuwe feiten heeft aangevoerd, zie ik niet in waarom het beroep op deze bepaling een novum inhoudt, zoals de advocaat van de ontvanger in zijn s.t., in nr. 4.7.2, p. 7, stelt. Vgl. Veegens, Cassatie, 1989, nr. 130, i.h.b. p. 247. Bovendien heeft [eiser] in prod. 1 bij c.v.a. in eerste aanleg een beroep gedaan op art. 7, lid 2, Uitvoeringsbesluit Iw. 1990.
36. De oude, op de onderhavige zaak van toepassing zijnde, tekst van art. 7, lid 1, Uitvoeringsbesluit Iw. 1990 bepaalde dat de mededeling schriftelijk moest worden gedaan. Dit vereiste is bij wijzigingsbesluit van 21 december 1995, Stb. 667 vervallen. Deze wijziging maakt voor de onderhavige zaak geen verschil.
37. De termijn als bedoeld in art. 7, lid 1, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet.
38. HR 31 mei 1996 NJ 1996, 671. Zie m.n. § 3.2 - 3.7 van de c.p.g. voor dit arrest.
39. Vgl. Vakstudie Invorderingswet (losbl.), art. 36, aant. 49 en 50, E.R.H. Heijmans/J.H.P.M. Raaijmakers, Aansprakelijkheden Invorderingswet 1990, 1995, p. 169 en J.H.P.M. Raaijmakers, Aansprakelijkheid in belastingzaken, 1999, p. 245-246.
40. Raaijmakers (a.w., p. 245) lijkt het daadwerlkelijk opleggen van een boete in dit verband niet noodzakelijk te achten voor opzet of grove schuld in de zin van art. 7, lid 2, Uitvoeringsbesluit Iw. 1990.