ECLI:NL:PHR:2001:AB1429
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bestuurder voor naheffingsaanslag omzetbelasting wegens niet-tijdige melding betalingsonmacht
Bouw- en Aannemersbedrijf [A] B.V. kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd wegens niet-tijdige betaling over de periode 1 juli 1990 tot en met 31 maart 1991. Eiser was bestuurder van de aandeelhoudende vennootschap [B] B.V. en later van Recreatiepark De Blomhof B.V., die formeel bestuurder werd van [A B.V.]. Eiser richtte ook een nieuwe vennootschap op met een vrijwel identieke handelsnaam als [A B.V.].
De ontvanger stelde eiser aansprakelijk op grond van feitelijk bestuurderschap volgens art. 36 lid 5 Iw Pro. 1990, omdat hij het beleid van [A B.V.] mede bepaalde als ware hij bestuurder. Tevens werd betoogd dat de melding van betalingsonmacht op 17 mei 1991 niet tijdig was gedaan, waardoor het wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid van toepassing is. De rechtbank en het hof bevestigden dit oordeel, waarbij het hof oordeelde dat eiser het bestuur zodanig domineerde dat hij feitelijk het beleid bepaalde.
De Hoge Raad overwoog dat het criterium van feitelijk bestuurderschap niet alleen ziet op formele bestuurders, maar ook op beleidsbepalers die zich als ware zij bestuurder gedragen, ook indien het formele bestuur niet terzijde wordt gesteld. De Hoge Raad verwierp het verweer dat de melding tijdig was, omdat de ontvanger in een brief niet expliciet had bevestigd dat de melding te laat was. De Hoge Raad bevestigde dat de melding niet tijdig was gedaan en dat het beroep van eiser faalt. Het beroep in cassatie werd verworpen en eiser werd in de kosten veroordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van eiser als feitelijk bestuurder voor de naheffingsaanslag wegens niet-tijdige melding van betalingsonmacht.