ECLI:NL:PHR:2001:AB1592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01370/99 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 Wet milieubeheerArt. 1a WEDArt. 2 WEDArt. 51 WEDArt. 96 RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis economische politierechter inzake overtreding milieubeheer

De verdachte is door de economische politierechter te Haarlem veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift van de Wet milieubeheer, met een geldboete en voorwaardelijke hechtenis. Tegen dit vonnis zijn door de raadsman van de verdachte drie cassatiemiddelen ingediend.

De tenlastelegging betrof het onrechtmatig lozen van afvalstoffen in de bodem nabij het Zijkanaal B te Velsen-Zuid. De tenlastelegging bevatte de formulering "al dan niet opzettelijk", waardoor primair een misdrijf en subsidiair een overtreding werd gesteld. Omdat hoger beroep slechts openstaat tegen het gehele vonnis en het hier mede om een misdrijf ging, stond de verdachte ingevolge de Wet economische delicten (WED) hoger beroep toe en was cassatie uitgesloten.

De verklaring van de verdachte bij de griffie van de rechtbank, waarin het rechtsmiddel werd ingesteld, moet worden opgevat als een hoger beroep tegen het vonnis. Hierdoor zijn de cassatiemiddelen buiten beschouwing gebleven en is de zaak doorverwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor behandeling in hoger beroep door de Economische Kamer.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat de akte rechtsmiddel aldus moet worden verstaan en dat de stukken aan het gerechtshof moeten worden verzonden. Hoewel in het vonnis sprake is van vrijspraak voor hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen, blijkt uit de stukken dat de economische politierechter de eis van de officier van justitie heeft gevolgd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart dat de verklaring van de verdachte moet worden opgevat als hoger beroep en verwijst de zaak door naar het gerechtshof Amsterdam.

Conclusie

Mr Jörg
Nr. 01370/99/E
Zitting 20 maart 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is door de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te Haarlem bij vonnis van 2 februari 1999 ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 500,- subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan ƒ 250,- subsidiair vijf dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr A. van Waarden, advocaat te Haarlem, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 25 juni 1997 te Velsen-Zuid, in de gemeente Velsen, langs en/of in de nabijheid van het Zijkanaal B aldaar, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen te weten een hoeveelheid huishoudelijk afval en/of plastic zakken inhoudende huishoudelijk afval en/of plastic verpakkingsmateriaal en/of afdekzeilen en/of hout en/of houtresten en/of touwen en/of kabels en/of rubberen slangen en/of electriciteitskabels en/of ijzeren pijpen en/of ijzeren platen en/of ijzeren profielen heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting op of in de bodem te brengen."
4. Voormeld feit is strafbaar gesteld in art. 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer en levert ingevolge art. 1a, aanhef en onder 1°, in verbinding met art. 2, eerste lid, WED een misdrijf op voorzover het feit opzettelijk is begaan en anders een overtreding. De steller van de tenlastelegging heeft door daarin de woorden "al dan niet opzettelijk" op te nemen derhalve primair een misdrijf en subsidiair een overtreding tenlastegelegd. Nu de bestreden uitspraak mede naar aanleiding van een misdrijf is gewezen en krachtens art. 407, eerste lid, Sv hoger beroep slechts tegen een vonnis in zijn geheel openstaat, stond voor verzoeker ingevolge art. 51, eerste lid, WED hoger beroep open en kon ingevolge art. 96, eerste lid, RO geen beroep in cassatie worden ingesteld (vgl. HR 24 juni 1997, DD 97.324).
5. De akte rechtsmiddel houdt in dat op 4 februari 1999 namens verzoeker beroep is ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter voorzover hij daarbij is veroordeeld.(1)
6. Aangezien verzoeker tegen het vonnis van de economische politierechter geacht moet worden het rechtsmiddel te hebben willen aanwenden dat volgens de wet daartegen openstond, moet het ervoor worden gehouden dat verzoeker hoger beroep heeft willen instellen. De namens verzoeker ter griffie van de rechtbank afgelegde verklaring zal dienovereenkomstig moeten worden verstaan.
7. Bij die stand van zaken kunnen de namens verzoeker voorgestelde middelen van cassatie buiten bespreking blijven.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de in de akte rechtsmiddel namens verzoeker afgelegde verklaring aldus zal verstaan dat verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 2 februari 1999 voorzover hij daarbij is veroordeeld en dat de stukken zullen worden verzonden aan de griffier van het gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak aldaar door de Economische Kamer in hoger beroep kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Hoewel het vonnis als bijkomende beslissingen "vrijspraak van hetgeen meer of anders is telastegelegd dan bewezen is verklaard" vermeldt, leid ik uit de aantekening op de akte rechtsmiddel alsmede uit het feit dat door de raadsman ter zake van feit 2 een avas-verweer is gevoerd, en tenslotte uit de vordering van de officier van justitie (ovar) af dat de economische politierechter deze eis gevolgd heeft.