ECLI:NL:PHR:2001:AB1818
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens opruiing en aanzetten tot haat en geweld
Verdachte werd door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage veroordeeld wegens opruiing (art. 131 Sr Pro) en het in het openbaar aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden tegen personen wegens ras of godsdienst (art. 137d Sr). Hij kreeg een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken opgelegd.
In het cassatieberoep betoogde verdachte onder meer dat een door hem tijdens het hoger beroep afgelegde verklaring niet als bewijs mocht worden gebruikt, omdat die ontkende dat hij zich bewust was van het opzet. De Hoge Raad oordeelde dat deze verklaring niet zo begrepen kon worden en dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn uitlatingen anderen tot strafbare feiten zouden bewegen.
Verder werd geklaagd over het gebruik van een verklaring van een getuige die haar kennis ontleende aan een krantenartikel. De Hoge Raad stelde dat kennisneming van een krantenartikel als eigen waarneming geldt, zodat het hof deze verklaring terecht als bewijs gebruikte.
De Hoge Raad gaf tevens een uitgebreide toelichting op het vereiste van opzet bij de strafbare feiten van opruiing en aanzetten tot haat, waarbij het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans voldoende is. Ook werd besproken dat het openbaar karakter van de uitlatingen van belang is en dat verdachte voorzorgsmaatregelen moet treffen om te voorkomen dat opruiende uitingen buiten een besloten kring komen.
De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling van verdachte in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens opruiing en aanzetten tot haat en geweld blijft in stand.