ECLI:NL:PHR:2001:AB1839
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van afvalstoffenbelasting bij sanering voormalige stortplaats en begrip inrichting
X B.V. verkreeg een voormalige stortplaats die zij saneren wilde met secundaire grondstoffen. De milieuvergunning vereiste milieuhygiënische afwerking volgens IBC-criteria. Belanghebbende diende een nihil-aangifte afvalstoffenbelasting in, maar de Inspecteur legde een naheffingsaanslag op. Het Hof stelde vast dat de verwerkte reststoffen afvalstoffen zijn en dat belanghebbende een inrichting exploiteerde, waardoor belastingplicht ontstond. Het Hof verminderde de aanslag en wees beroep toe.
In cassatie stelde belanghebbende dat de stoffen geen afvalstoffen zijn en dat de voormalige stortplaats een werk is, geen inrichting. De Hoge Raad analyseerde uitgebreid de wettelijke bepalingen, wetsgeschiedenis en jurisprudentie over afvalstoffen en het begrip inrichting. Het arrest benadrukt dat het fiscale begrip afvalstof ruim is en aansluit bij de Europese richtlijn, waarbij ook nuttige toepassing niet uitsluit dat een stof afvalstof is.
De Hoge Raad concludeert dat de afvalstoffenbelasting alleen ziet op stortplaatsen en verbrandingsinrichtingen, niet op werken zoals geluidswallen of terreinafhogingen. De activiteiten van belanghebbende kwalificeren als het uitvoeren van een werk, niet als het exploiteren van een inrichting. Daarom is de afgifte van afvalstoffen aan dit werk niet belast. De uitspraak van het Hof wordt vernietigd voor zover het betreft de inrichting en belastingplicht, maar blijft in stand voor griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel dat sprake is van een inrichting en bevestigt dat de activiteiten als werk kwalificeren, waardoor geen afvalstoffenbelasting verschuldigd is.