(a-g)
(1) In een vergelijkbaar geval is dat wel gebeurd, zie Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 27 augustus 1998, AB 1998, 389 m.nt. A. van Hall.
(2) Het afschrift van het beroepschrift in cassatie is verstuurd op (dinsdag) 8 december 1998, zodat de termijn voor het indienen van een vertoogschrift van art. 22, lid 2 Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (WARB) verliep op (dinsdag) 2 februari 1999. Het vertoogschrift is verzonden op (donderdag) 4 februari 1999, derhalve na het einde van de termijn. Het kwam binnen op (maandag) 8 februari 1999.
(3) Ter toelichting werd opgemerkt (Memorie van toelichting inzake de Waterschapswet, Kamerstukken II, vergaderjaar 1986-1987, 19995, nr. 3, blz. 64):
"Artikelen 3.17-3.20. In deze reeks artikelen worden enkele algemene regelen gesteld omtrent de verplichting tot bekendmaking van algemeen verbindende besluiten en de inwerkingtreding daarvan. Deze artikelen houden geen uitputtende regelingen in. Zij beperken zich (...) tot datgene waarvan een uniforme grondslag in de wet gewenst moet worden geacht. De regeling treedt dus bijv. niet in de mate waarin de bekendmaking dient te geschieden. (...) De (...) regelen gelden ook (...) [voor] belastingverordeningen."
In de Memorie van antwoord werd opgemerkt (Kamerstukken II, vergaderjaar 1988-1989, 19 995, nr. 6 blz. 46):
"Aangezien de werking van algemeen verbindende voorschriften zich beperkt tot het waterschapsgebied (...) ligt een algemeen wettelijk voorschrift dat (sommige) besluiten ook moeten worden gepubliceerd in de Staatscourant niet in de rede (...). Een ruimere bekendmaking door tervisielegging ook op de secretarieën der gemeenten waarin het waterschapsgebied is gelegen behoort tot de mogelijkheden. Aan het waterschapsbestuur kan worden overgelaten in welke situaties en voor welke voorschriften zulks zinvol is (...). In elk geval lijkt het aanbevelenswaardig dat het waterschap op zijn eigen griffie alle geldende waterschapsbesluiten met externe werking voor een ieder beschikbaar heeft in gebundelde of anderszins gemakkelijk toegankelijke vorm."
(4) In de advertenties waarin mededeling wordt gedaan van de goedkeuring van de verordening op de waterschapsomslagen van 22 december 1994 werd slechts meegedeeld dat het goedkeuringsbesluit ter inzage lag. Ik neem echter aan, dat men desgevraagd ook de tekst van de goedgekeurde verordening ter inzage kon krijgen.
(5) NJ 1991,463 m.nt. M. Scheltema
(6) EHRM 1 oktober 1982, (Piersack), Publications Series A, Vol. 53, § 30; vgl. verder o.a. EHRM 26 oktober 1984 (De Cubber), NJ 1988, 744 m.nt. E. A. Alkema en EHRM 24 mei 1989 (Hauschildt), NJ 1990, 627 m.nt. P. van Dijk.
(7) Vgl. o.a. EHRM 23 juni 1981 (Le Compte c.s.), NJ 1982, 602 § 58 en EHRM 22 februari 1996, (Bulut) NJ 1996, 483 m.nt. G. Knigge, § 32, en EHRM 4 april 2000, (Academy Trading), EHRC 2000, 41 m.nt. A.W. Heringa, § 16.
(8) EHRM 24 mei 1989 (Hauschildt), NJ 1990, 627 § 48. Vgl EHRM 4 april 2000, (Academy Trading), EHRC 2000, 41 m.nt. A.W. Heringa, § 18.
(9) Zie verder o.a. HR 30 november 1990, NJ 1992, 94 m.nt. H.J. Snijders; HR 24 december 1999, C 97/286, NJ 2000, 172; HR 30 juni 2000 C 98/315, RvdW 2000, 170.
(10) Zie o.a. EHRM 1 oktober 1982 (Piersack), Series A, Vol. 53, § 30, onderdeel b : "It would be going too far (...) to maintain that former judicial officers in the public prosecutor's department were unable to sit on the bench in every case that had been examined initially by that department, even though they had never had to deal with the case themselves. So radical a solution, based on an inflexible and formalistic conception of the unity and indivisibility of the public prosecutor's department, would erect a virtually impenetrable barrier between that department and the bench. it would lead to an upheaval in the judicial system of several Contracting States where transfers from one of thoze offices to the other are a frequent occurrence. Above all, the mere fact that a judge was once a member of the public prosecutor's department is not a reason for fearing that he lacks impartiality (...)."
(11) Idem, § 30 en 31.
(12) Idem M.W.C. Feteris, Fiscale administratieve sancties en het recht op een behoorlijk proces, 1993, blz. 407/8.
(13) E.e.a. geldt m.m. ook voor rechter-plaatsvervangers, zie HR 16 november 1999, NJ 2000, 235 na conclusie van A-G Fokkens en m.nt. A.C. 't Hart (OvJ die optreeft als rechter-plaatsvervanger); HR 30 juni 2000 nr. C 98/315 RvdW 2000, 170 na conclusie A-G Langemeijer (advocaat als rechter-plaatsvervanger) en, t.a.v. belastingambtenaren en belastingadviseurs als raadsheer-plaatsvervanger, Feteris, FED 1997/741.Zie over e.e.a. ook R.J.J. Eshuis en N.Dijkhoff, Nevenfuncties zittende magistratuur, WODC rapport nr. 185.
(14) Zie W.G.M. Heldens in J.J. I. Verburg e.a., De Waterschapswet , 2e dr. 1995 blz. 64 en voor het oude recht,G.J.C. Schilthuis, Waterschapsrecht, 2e dr. 1960, blz. 99.
(15) Vgl. S.K. Martens en Th. B. ten Kate, Trema 1999, blz. 3, par. 21.
(16) Zie o.a. EHRM 24 mei 1989 (Hauschildt), NJ 1990,627, § 45 en EHRM 22 februari 1996 (Bulut) NJ 1996, 483.
(17) De terminologie is van Knigge, noot NJ 1996,483, par. 1.
(18) Zie over e.e.a. verder M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter 1997 blz. 284 e.v.
(19) Vanaf 1 januari 1997 bestaat een verplichte registratie van de betrekkingen die rechterlijke ambtenaren buiten hun ambt vervullen (art. 44, lid 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren). Betrekkingen die uitsluitend in het verleden zijn vervuld, worden in die registers voor zover mij bekend niet vermeld.
(20) Vgl. ook de memorie van toelichting inzake de Wet van 16 december 1993, Stb. 650 waarbij de wrakingsregeling werd ingevoerd, Kamerstukken II, 1991-1992, 22 4956, nr. 3, blz. 113, ad art. 8.1.4.1. :"Een [wrakings]verzoek kan in beginsel in elke stand van het geding worden gedaan".
(21) Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht 2000/11-12, blz 3.
(22) Conclusie voor HR 21 april 1999, BNB 199/232, par. 6.5.