ECLI:NL:PHR:2001:AB1946
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van commerciële schuldbemiddeling ondanks tijdelijk vrijstellingsbesluit
In deze zaak stond de vraag centraal of commerciële schuldbemiddeling waarbij de kosten aan de schuldenaren worden doorberekend, strafbaar is onder artikel 47 van Pro de Wet op het consumentenkrediet. Verzoekster voerde aan dat de schuldbemiddeling feitelijk om niet was, omdat de schuldeisers de kosten droegen en dat het tijdelijke vrijstellingsbesluit schuldbemiddelaars van 1998 strafbaarheid uitsloot.
Het Hof stelde vast dat verzoekster wel degelijk bemiddelingskosten aan de schuldenaren in rekening bracht, betaald uit hun inkomen, en dat dit niet leidde tot een lager leefgeld, maar tot lagere betalingen aan schuldeisers. Dit betekent dat er geen sprake was van schuldbemiddeling om niet. Het Hof verwierp het beroep op het tijdelijke vrijstellingsbesluit omdat dit slechts een tijdelijke regeling is en niet de strafbaarheid van eerdere feiten opheft.
Verder oordeelde het Hof dat het handelen van verzoekster niet voldeed aan de eisen van het vrijstellingsbesluit en dat de gedragingen onder artikel 82 van Pro de Wet toezicht kredietwezen vielen. De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst het cassatieberoep af, waarmee de strafbaarheid van het handelen van verzoekster wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafbaarheid van verzoekster voor commerciële schuldbemiddeling ondanks het tijdelijke vrijstellingsbesluit en wijst het cassatieberoep af.