ECLI:NL:PHR:2001:AB1947
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslissing op verzoeken tot getuigenverhoor en redelijke termijn cassatie
In deze zaak is door de verdediging een verzoek gedaan om getuigen te horen, gebaseerd op het arrest HR NJ 1994, 427, waarbij belastende verklaringen die door getuigen zijn teruggenomen alleen als bewijs mogen dienen indien die getuigen ter zitting worden gehoord. Het hof had dit verzoek afgewezen en de beslissing daarop opgenomen in de aanvulling van het arrest met bewijsmiddelen, niet in het arrest zelf.
De verdediging voerde aan dat dit in strijd is met art. 328 en Pro 330 Sv, omdat op verzoeken die tijdens de terechtzitting worden gedaan binnen de uitspraak beslist moet worden. De Hoge Raad bevestigt dat beslissingen op verzoeken als bedoeld in art. 328 Sv Pro in de einduitspraak moeten worden opgenomen, tenzij reeds ter zitting beslist, en dat de aanvulling op de uitspraak (art. 365a Sv) niet bedoeld is voor het weergeven van zulke beslissingen.
Echter, in dit geval was het verzoek in subsidiaire, voorwaardelijke vorm gedaan en afhankelijk van de gegrondheid van het primaire bewijsverweer. De Hoge Raad oordeelt dat het niet opnemen van de beslissing in het arrest zelf niet tot nietigheid leidt, omdat uit de uitspraak duidelijk bleek dat het verzoek was afgewezen en op welke gronden.
Daarnaast is geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De Hoge Raad stelt vast dat de termijn is overschreden, maar slechts met enkele weken, wat geen gevolgen behoeft te hebben. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen gronden voor cassatie zijn aangetroffen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de beslissing op het verzoek tot getuigenverhoor in de aanvulling van het arrest leidt niet tot nietigheid en de geringe termijnoverschrijding in cassatie heeft geen gevolgen.