ECLI:NL:PHR:2001:AB2315
Parket bij de Hoge Raad
- mr Wattel
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van bewijsgebruik van zwijgen verdachte in belastingprocedure na strafrechtelijke veroordeling
In deze zaak staat centraal of het zwijgen van een verdachte tijdens een strafrechtelijk verhoor gebruikt mag worden als bewijs in een belastingprocedure waarin dezelfde feiten aan de orde zijn. De belanghebbende werd in 1997 betrapt met een aanzienlijke hoeveelheid hasj, wapens en contant geld, en veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie. In de belastingprocedure werd het vermoeden geuit dat hij inkomsten uit deze criminele activiteiten had genoten.
De belanghebbende stelde dat het geld dat bij hem werd aangetroffen geleend was voor een legale onderneming, maar dit werd door het hof verworpen vanwege tegenstrijdigheden en het zwijgen van de verdachte over de herkomst van het geld tijdens het politieverhoor. De Hoge Raad onderzocht of deze bewijsconstructie verenigbaar is met het recht op zwijgen en het beginsel van een eerlijk proces.
De Hoge Raad stelt dat het zwijgen van een verdachte niet als bewijs mag worden gebruikt, maar wel kan bijdragen aan de waardering van het overige bewijsmateriaal, vooral als er ernstige aanwijzingen zijn die om een verklaring vragen. De bewijsconstructie van het hof wordt als toelaatbaar beoordeeld, omdat de belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad zijn stellingen te onderbouwen en het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd.
De uitspraak benadrukt het verschil tussen strafrechtelijke en fiscale procedures en bevestigt dat het beginsel van vrije bewijsleer en algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook in belastingzaken gelden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; het zwijgen van de verdachte mag niet als bewijs worden gebruikt maar kan meewegen bij de bewijswaardering.